Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2

Artikel 3.4

Onderzoek

Onderdeel van Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde

1.. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie stelt na zorgvuldig onderzoek ten minste vast: wat de hulpvraag is; welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid, participatie of het zich zelfstandig kunnen handhaven in de samenleving; of en welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan deze hulpvraag; hoe op eigen kracht in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie neemt in het onderzoek de volgende elementen mee: het hebben van huisgenoten (wie zijn zorgdragend en wie heeft behoefte aan zorg?); in hoeverre mantelzorg de nodige hulp en ondersteuning kan bieden; het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen; of sprake is van gebruikelijke hulp; vaardigheden en mogelijkheden om de hulp te bieden; beschikbaarheid om de hulp te bieden (bijvoorbeeld door werk); mate van planbaarheid van de benodigde zorg; het ontstaan van overbelasting; het relevante normenkader en het protocol gebruikelijke hulp CIZ; overige individuele omstandigheden die worden ingebracht. hoe met algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of door gebruikmaking van andere (voorliggende) voorzieningen in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien; hoe door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, er tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening gekomen kan worden om de zelfredzaamheid van belanghebbende te verbeteren; of de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer belanghebbende rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; of belanghebbende de ondersteuningsbehoefte redelijkerwijs kon voorzien en verwacht mocht worden dat de belanghebbende zijn handelen en nalaten hierop had aangepast waardoor geen maatwerkvoorziening nodig zou zijn geweest; of een andere voorziening nodig is dan de voorziening waarom belanghebbende vraagt; in hoeverre het, om het onderzoek volledig en zorgvuldig uit te kunnen voeren, nodig wordt geacht om informatie in te winnen bij derden. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van belanghebbende. welke bijdragen in de kosten de belanghebbende met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of artikel 2.1.4a Wmo 2015 verschuldigd zal zijn. 2.. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen. 3.. De factoren genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 4.. Tijdens het gesprek wordt aan belanghebbende in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Bij de keuze voor een pgb volgt een beoordeling conform artikel 3.13 van deze verordening. 5.. Als de belanghebbende een persoonlijk plan aan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie is niet gehouden in te stemmen met de inhoud van het persoonlijk plan, maar dient in voorkomende gevallen aan te geven waarom hiervan wordt afgeweken. 6.. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie informeert de belanghebbende over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 7. . Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie, belanghebbende, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 8.. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 9.. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is of als het gaat om een hulpvraag met een spoedeisend karakter of een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag, kan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie , voor het overige onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015, in overleg met de belanghebbende afzien van een gesprek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel