Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Paragraaf 6

Artikel 1.19.

Ambulante behandeling

Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Veere 2021

Ambulante behandeling wordt alleen verstrekt ter ontwikkeling zoals bedoeld in art. 1.19 lid 1, voor de behandeling van: a. ontwikkelingsproblematiek; of b. problematiek in relatie tot een (licht) verstandelijke beperking; of c. psychische dan wel psychiatrische problematiek; of d. ernstige en enkelvoudige dyslexie (EED). Ambulante behandeling van de in lid 1 sub a en b genoemde problematieken is gericht op het herstellen of het op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin, en wordt alleen verstrekt met als doel a. de zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn gezin te bevorderen en/of b. het adequaat functioneren van de jeugdige in de maatschappij op relevante leefgebieden te versterken; en/of c. inzicht in en acceptatie van mogelijk blijvende problematiek te verkrijgen. Ambulante behandeling van de in lid 1 sub c genoemde problematieken is gericht op het aanpakken, herstellen, opheffen of stabiliseren van psychische of psychiatrische aandoeningen bij jeugdigen, en wordt alleen verstrekt als sprake is van een DSM-benoemde stoornis of sterk een vermoeden daarvan. Ambulante behandeling van de in lid 1 sub d genoemde problematiek is gericht op het aanpakken, herstellen, opheffen of stabiliseren van leerachterstanden die veroorzaakt worden door ernstige en enkelvoudige dyslexie, en heeft als doel het behalen van een functioneel niveau van technisch lezen en spellen. Ambulant behandeling ernstige en enkelvoudige dyslexie wordt alleen verstrekt als a. onderzoek het bestaan van ernstige en enkelvoudige dyslexie aantoont; en b. deze problematiek leidt dan wel redelijkerwijs kan leiden tot een significante leerachterstand; en c. de op grond van de Wet passend onderwijs verleende ondersteuning aantoonbaar ontoereikend is. Ambulante behandeling van de in lid 1 sub a tot en met c genoemde problematieken gedurende onderwijstijd vind alleen plaats: a. als de jeugdige een vrijstelling van onderwijs heeft in de zin van art. 5 Leerplichtwet 1969; of b. als hierover afstemming heeft plaatsgevonden tussen de jeugdige en/of zijn ouders, het regionaal bureau leerplicht, het samenwerkingsverband passend onderwijs van de school waar de jeugdige staat ingeschreven en het college, mits de behandeling gericht is op het kunnen of kunnen blijven volgen van onderwijs.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel