**1..** Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid om als betalingsverplichting een betaling van de volledige vordering ineens op te leggen, dan wel ambtshalve een maandelijks aflossingsbedrag vast te stellen.
**2..** De hoogte van de maandelijkse aflossing bij beëindiging of intrekking van de uitkering is gedurende de eerste zes maanden gelijk aan het aflossingsbedrag tijdens de uitkering. Als de vordering vanaf datum beëindiging of intrekking niet binnen 12 maanden volledig wordt voldaan, dan wijzigt na zes maanden de hoogte van de maandelijkse aflossing overeenkomstig lid 3 van dit artikel.
**3..** In het geval van maandelijkse aflossing stelt het college:
bij een inkomen op bijstandsniveau de aflossing vast op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, of;
bij een inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm de aflossing vast volgens draagkracht. Hierbij heeft belanghebbende minimaal de beschikking over een bedrag ter hoogte van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.
**4..** In afwijking van het eerste en het derde lid, onder a en b, van dit artikel voert het college op verzoek van belanghebbende een berekening uit volgens artikel 475d Rv om de beslagvrije voet te bepalen. Het college past de hoogte van het aflossingsbedrag en/of aflossingstermijn aan vanaf de datum waarop het college de gegevens die nodig zijn voor de berekening heeft ontvangen.
**5..** Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat, bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd met 25% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.
**6..** In de betalingsverplichting neemt het college nadere voorwaarden op.
**7..** Indien de belanghebbende in gebreke blijft tot volledige nakoming van de betalingsverplichting, legt het college het besluit tot terugvordering ten uitvoer.
Hoofdstuk
Artikel 8.