**1..** Het is in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te beschadigen of te vernielen, te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen of te laten gebruiken op een wijze waardoor het dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
**2..** De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
**3..** De artikelen 6.6 en 6.8 zijn van overeenkomstige toepassing.
**4..** Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren.
**5..** Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Deze regels kunnen mede inhouden een omgevingsvergunning voor afwijken van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of de weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid.
**6..** Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Hoofdstuk 3 › § 3.1.2.
Artikel 3.6