**1..** Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien:
de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;
de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd;
de voor de houder van de omgevingsvergunning geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;
van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of
de vergunninghouder dit verzoekt.
**2..** Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf
Artikel 6.6