Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de omgevingsvergunning geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of de vergunninghouder dit verzoekt. 2.. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Rechtspraak bij dit artikel