Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.2.

Wijze waarop werkzaamheden in de openbare ruimte plaatsvinden (ex Artikel 5 Verordening WIOR)

Onderdeel van Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent werkzaamheden aan de infrastructuur in de openbare ruimte (Nadere Regels WIOR (2021))

(Graaf)werkzaamheden in de directe nabijheid van kabels en leidingen moeten door de vergunninghouder met de betrokken KLB worden afgestemd. Toelichting Het coördinatieproces (zie hoofdstuk 3) voorziet hierin. Bij kleine werkzaamheden die niet het coördinatieproces doorlopen kan de afstemming mede worden geïnitieerd door het doen van een graafmelding bij het Kadaster. De werkzaamheden moeten veilig worden uitgevoerd en minimale hinder geven. De betreffende CROW-voorschriften en het Handboek ‘Zo Werken Wij In Amsterdam - Op straat’ dienen hiertoe als leidraad. Toelichting Het Handboek ‘Zo Werken Wij In Amsterdam - Op straat’ (ZWIA) is te downloaden https://www.amsterdam.nl/parkeren-verkeer/werken-openbare-ruimte/ De vergunninghouder dient de toegankelijkheid voor nood- en hulpdiensten, brandvoorzieningen en (nood)uitgangen van woningen en (openbare) gebouwen te garanderen. Doorrijbreedte is minimaal 3.50 meter. Doorrijhoogte is minimaal 4.20 meter. Toelichting De doorrijbreedte en –hoogte zijn bij werkzaamheden belangrijke voorschriften van de brandweer. Alle richtlijnen zijn te vinden via https://www.brandweer.nl/amsterdamamstelland/ Kabels, leidingen en toebehoren zoals kasten, putten, brandkranen en afsluiters moeten bereikbaar zijn. Materialen, materieel en stoffen moeten binnen het werkterrein blijven en voorkomen moet worden dat deze hinder voor de omgeving geven, conform de daarvoor geldende wettelijke regels. Toelichting Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan modder (gladheid) en rommel (val- en aanrijdgevaar) en aan regels op het gebied van veiligheid en gezondheid (V&G), arbeidsomstandigheden en geluidhinder, zoals opgenomen in de milieu- en arbowetgeving. Tijdens én na de werkzaamheden dienen werkterrein en/of de openbare weg schoon en opgeruimd te zijn met het oog op veiligheid en een leefbare omgeving. Bouwstoffen, restmaterialen en opstallen, waaronder vrijgekomen of niet meer terug te plaatsen grond, dienen na uitvoering van de werkzaamheden verwijderd te zijn volgens de betreffende regelgeving. De vergunninghouder dient het werkterrein zo in te richten dat dit goed zichtbaar en veilig is. De vergunninghouder zorgt ervoor dat het verkeer ongehinderd en veilig langs het werk wordt geleid. Randvoorwaarden daarbij dienen afgestemd te worden met de vergunningverlener. Gemeentelijke en particuliere eigendommen, zoals bomen, straatmeubilair en kabels en leidingen, mogen niet worden beschadigd. De vergunninghouder mag kortdurende werkzaamheden op hoofdnetten niet in de spits uitvoeren, uitgezonderd in geval van calamiteiten. De spitsperiodes lopen van 6.30 - 9.30 uur en van 15.30-19.00 uur. Indien verplaatsing, uitbreiding of verwijdering van gemeentelijke eigendommen, zoals openbare verlichting, riolering, straatmeubilair en railinfrastructuur nodig is, dan dient de initiatiefnemer/vergunninghouder dit tijdig voorafgaande aan de werkzaamheden af te stemmen met de betreffende eigenaar. De initiatiefnemer/vergunninghouder dient werkzaamheden aan kunstwerken, zoals bruggen, viaducten, walmuren, tunnels en sluizen tijdig voorafgaande aan de werkzaamheden af te stemmen met de beheerder van het betreffende kunstwerk. Zonder uitdrukkelijke toestemming van de vergunningverlener mogen geen belastingen worden aanbracht op of in de invloedsfeer van kunstwerken, zoals dekken en/of constructies van bruggen en walmuren en op of in de invloedsfeer van ondergrondse bouwwerken, zoals parkeergarages. Werkzaamheden onder of in de directe nabijheid van railinfrastructuur mogen alleen onder een vergunning Wet Lokaal Spoor worden uitgevoerd. Het is verboden werkzaamheden uit te voeren als vanwege weersomstandigheden of maatschappelijke omstandigheden als evenementen of demonstraties het risico op schade, ongevallen of onevenredige overlast te groot is. “Als wordt gewerkt in of met verontreinigde grond en verontreinigd grondwater zijn de regels uit de Wet Bodembescherming, de Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam, de ARVO 2020 en praktijkrichtlijnen zoals CROW 400 en relevante beoordelingsrichtlijnen (BRL’s) van toepassing. Als gewerkt wordt op een reeds gesaneerde locatie, moet het nazorgplan van de locatie worden gevolgd. Voorgenomen graafactiviteiten in vervuilde grond dienen altijd tijdig te worden gemeld bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.” Zie: https://loket.odnzkg.nl/digitale-formulieren/. Bij werkzaamheden aan wegverhardingen dient de vergunninghouder zich te houden aan de ‘Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek’.

Rechtspraak bij dit artikel