**1..** Geen tegemoetkoming wordt verleend:
voor zover het feit dat een belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen;
indien de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen;
indien de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in de artikelen 138 en 252 van de Faillissementswet;
indien ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 van de Faillissementswet, dan wel van een belastingaanslag voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard en niet kan worden aangemerkt als boedelschuld;
indien de belastingschuldige een bedrijf heeft of zelfstandig ondernemer is en ook na totstandkoming van een akkoord, bedoeld in artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, geen reële vooruitzichten zouden bestaan voor de voortzetting van het bedrijf of beroep;
voor een voorlopige aanslag die nog niet is gevolgd door de aanslag;
indien niet aan eventueel door de ontvanger gestelde voorwaarden is voldaan.
**2..** Geen tegemoetkoming wordt verleend ten belope van het bedrag van de te betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft waarvan aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:
binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende inkomens een hoger inkomen is te verwachten; of
binnen een jaar na het verzoek een verbetering in de financiële omstandigheden is te verwachten; of
binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 kan worden verwacht.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2