**5.1.** Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden op de peildatum de volgendedoelgroepen onderscheiden:
de alleenstaande;
de alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar;
de gehuwden.
**5.2.** Onder een minimuminkomen wordt verstaan:
een fiscaal gezinsinkomen, dat minder dan, of gelijk is aan, 120% van de aankelijk van degezinssituatie van toepassing zijnde bruto IOAW jaarnorm of
voor personen met de pensioengerechtigde leeftijd 120% van de AOW norm, of
een fiscaal gezinsinkomen dat hoger is dan 120% van die normen, maar waarvan datmeerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijkeschuldregeling bij de Gemeentelijke Kredietbank of een opgelegde schuldregeling op grondvan de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
**5.3..** In het refertejaar zijn 2 toetsinkomens van toepassing:
voor huishoudens onder de pensioengerechtigde leeftijd het inkomen zoals vermeld inartikel 5, het tweede lid onder a of c.
voor huishoudens met de pensioengerechtigde leeftijd het inkomen zoals vermeld in artikel5, tweede lid onder b of c.
Voor gezinnen waarvan de partner op datum aanvraag de pensioengerechtigde leeftijd heeftbereikt is het hoogste toetsinkomen van toepassing.
**5.4.** Indien door wijziging in de gezinssituatie ten aanzien van de aanvrager in de loop van het refertejaartwee of meer minimuminkomensniveaus van toepassing zijn, stelt het college naar evenredigheideen individueel minimuminkomensniveau vast.
**5.5.** Indien over een refertejaar of een deel daarvan, een inkomenstoets in het kader van eengemeentelijke regeling heeft plaatsgevonden en daarbij is vastgesteld dat het inkomen niet hogeris dan het relevante toetsbedrag, wordt het inkomen over het refertejaar of een deel daarvan, nietopnieuw getoetst.
**5.5.** Het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan het refertejaar is van toepassing indien degegevens over het refertejaar redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. Hetzelfde geldt voor hetvermogensniveau op de peildatum.