Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Voorwaarden opzet en inrichting zonneveld

Onderdeel van Beleidsregels zonnevelden (1.38)

Het college en de raad werken mee aan het vestigen van zonnevelden nadat de aanvrager heeft aangetoond dat aan de volgende voorwaarden is voldaan en de zonnevelden worden gerealiseerd in een geschikt gebied: het zonneveld voegt zich naar de belangrijke landschappelijke structuurdragers in de omgeving; met het vestigen van het zonneveld worden de bestaande en oorspronkelijke perceelgrenzen, waterstructuren en landschapsstructuren behouden; de zonnepanelen worden op minimaal 5 meter van watergangen geplaatst; de zonnepanelen worden opgesteld in zuidelijke of verticale oriëntatie; de maximale hoogte van de zonnepaneelopstelling is 2,5 meter vanaf maaiveld; er is rekening gehouden met lichtinval en regenwaterverdeling van de ondergrond en de gevolgen voor de bodemkwaliteit; er is rekening gehouden met cultuurhistorische en archeologische waarden; het plangebied wordt niet geëgaliseerd en watergangen worden niet gedempt; van de oppervlakte van het perceel/ de percelen waarop het zonneveld wordt gevestigd, wordt maximaal 80% gebruikt voor het zonneveld (inclusief onderhoudspaden) en minimaal 20% ruimte voor kwaliteitsinvestering in natuur en landschap; er is een ruimtelijke onderbouwing, inrichtingsplan, beplantingsplan, onderhouds- en beheerplan ingediend bij de aanvraag; uit de aanvraag blijkt dat met het realiseren van het zonneveld invulling wordt gegeven aan één of meerdere van de volgende thema’s: waterbeheer, natuurontwikkeling, recreatie, educatie, of agrarisch medegebruik; uit de aanvraag blijkt op welke wijze het realiseren van het zonneveld een positieve invloed heeft op natuur en biodiversiteit.

Rechtspraak bij dit artikel