Iemand die fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft gehad en als die persoon daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie is opgelegd komt niet in aanmerking voor schuldhulpverlening. De voorwaarden om iemand af te wijzen voor schuldhulpverlening zijn dus:
de schuldenaar moet fraude hebben gepleegd;
die fraude moet hebben geleid tot een financiële benadeling;
er moet sprake zijn van financiële benadeling van een bestuursorgaan; en-
de schuldenaar moet in verband met de fraude onherroepelijk strafrechtelijk zijn veroordeeld OF er moet een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, zijn opgelegd.
Onder fraude wordt verstaan: een opzettelijk handelen of nalaten waarbij misleiding wordt gebruikt om een wederrechtelijk voordeel te behalen ten koste van een bestuursorgaan.
Fraude met een bijstandsuitkering voldoet eigenlijk niet aan bovenstaande definitie. Er is namelijk geen sprake van een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke veroordeling. De Centrale Raad van Beroep heeft meerdere malen geoordeeld dat afstemming van de bijstandsuitkering (het opleggen van een maatregel of bijvoorbeeld een terugvordering) wel geldt als punitieve sanctie. De maatregel voegt leed toe en behoort daarom wel tot de definitie van fraude.
Indien het gaat om kleine bedragen of een klein deel van de totale schuldenlast aan fraudeschuld, wordt iemand wel toegelaten tot schuldhulpverlening. Deze beoordeling wordt overgelaten aan de schuldhulpverlener.
Indien de fraude is ontdekt binnen vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot schuldhulpverlening, wordt het verzoek afgewezen. Ligt de ontdekkingsdatum van de fraude vóór vijf jaar terug, dan wordt het verzoek tot schuldhulpverlening in principe toegekend, mits er geen andere gronden tot afwijzing aanwezig zijn.