Naar hoofdinhoud
1.. Het college verleent aan verzoeker schuldhulpverlening als het college dit noodzakelijk acht. De aanvraag wordt getoetst aan de visie en uitgangspunten zoals neergelegd in het beleidsplan ‘Integrale schuldhulpverlening West-Friesland’. Als de noodzaak niet aanwezig wordt geacht door het college, kan de aanvraag worden afgewezen. 2.. Het college bepaalt welke vorm van schuldhulpverlening wordt ingezet. 3.. De toekenning of de afwijzing van de aanvraag wordt in een beschikking vastgesteld. In het plan van aanpak, dat onderdeel is van de beschikking, wordt het aanbod gemotiveerd. 4.. Bij de afweging welke vorm van ondersteuning het meest geschikt is voor de verzoeker, weegt het college de volgende zaken tegen elkaar af: de doelmatigheid van de ondersteuning; de zwaarte c.q. omvang van de schuldensituatie en de regelbaarheid daarvan; de mate van zelfredzaamheid van de verzoeker en diens netwerk (psychosociale situatie); houding en gedrag van verzoeker (motivatie en vaardigheden); een eventueel eerder gebruik van schuldhulpverlening; de aanwezigheid van een fraudevordering als bedoeld in artikel 3, derde lid van de wet. 5.. De beslissing van het college tot het doen van een aanbod, tot het weigeren of beëindigen van de schuldhulpverlening is een besluit in de zin van de Awb, waartegen belanghebbende bezwaar en beroep kan instellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel