Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 5.

Artikel 5.10.

THEMA 7 INSTELLINGEN EN INSTITUTEN

Onderdeel van Welstandsbeleid Gemeente Asten 2015

5.10.1.Beschrijving bestaande situatie Algemeen De gebieden in Asten waarop de beschrijving is gericht en waarvoor de in dit thema genoemde criteria zijn bedoeld worden in bovenstaande kaart aangegeven. Voor Heusden en Ommel wordt verwezen naar de kaarten in paragraaf 9.3. De instellingen en instituten liggen verspreid over de gehele gemeente en zijn in elke wijk aanwezig. Over het algemeen zijn ze goed bereikbaar vanaf het hoofdwegennet en openbaar vervoer. Aan de verschijningsvorm van de bebouwingen de inrichting van het terrein is veel aandacht besteed. Een afwijkend onderdeel in het bebouwingsbeeld van de woonwijken vormen een tweetal ruimten voor woonwagens welke eveneens in dit thema zijn opgenomen. Stedenbouwkundige kenmerken Karakteristiek voor de instellingen en instituten is de eigen identiteit van de bebouwing. In een aantal gevallen wordt de instelling gevormd door een aantal gebouwen, die op kleine onderlinge afstand zijn geplaatst of door lagere bebouwing is gekoppeld. De bebouwing is hoger dan de omliggende woonbebouwing. De gebouwen zijn met hun (publieks)entrees georiënteerd op de openbare ruimte. Het parkeren is gesitueerd op het binnenterrein of het aangrenzende terrein. De aantrekkelijkheid van deze instellingen is in een aantal gevallen ook terug te vinden in de parkachtige opzet. De hogere bouwvolumes staan duidelijk los van elkaar en op grotere afstand van de straat. Kenmerken openbare ruimte De instellingen maken doorgaans deel uit van het gemengde straatbeeld van de bebouwde kom. De straten volgen de structuur van het omringende gebied en sluiten in profiel aan op de hiërarchie en het straatbeeld dat in die omgeving gebruikelijk is. Op enkele plekken sluit de inrichting van het eigen terrein aan op de bebouwing en wijkt daardoor af van de omgeving. De bebouwing is geplaatst op een groter terrein, dat een eigen hiërarchie en indeling op het gebied van straatprofielen, bestratingen en groenvoorzieningen heeft. Kenmerken van het bebouwingsbeeld (algemeen) Instellingen en instituten hebben een sterke eigen identiteit, in enkele gevallen zijn ze in dezelfde stijl als de omliggende woonwijk ontworpen. Alle bouwstijlen zijn voor deze instellingen toegepast, waarbij een sterke eigen architectonische expressie van belang is. De stedenbouwkundige inpassing vindt plaats door de ruime afstand tot de straat en de vorm / massa. De bebouwing vertoont aan alle zijden een zelfde architectonisch uitgangpunt en kwaliteit. De hoofdentree is duidelijk vormgegeven en gekeerd naar de straat. De grotere bouwvolumes zijn horizontaal en verticaal geleed, zodat aangesloten wordt op de maat en de schaal van de stedelijke bebouwing in de omgeving. Daken zijn per bouwvolume plat of afgedekt met een kap. De materialisering, de kleurstelling en de detaillering zijn afgestemd op het architectonische principe en de opbouw van de volumes. Voor de gevels komt veelvuldig metselwerk en stucwerk voor, grotere vlakken onderverdeeld d.m.v. plaatmaterialen en glasvlakken minder. In de klassieke panden zijn veelal witte houten kozijnen opgenomen, de meer recente panden zijn voorzien van aluminium kozijnen en puien, waarbij diverse kleuraccenten zijn aangebracht. Dakvlakken zijn meestal afgedekt met pannen of leien, in enkele gevallen met bitumen. Veranderingsprocessen De zorgvuldige vormgeving van de bebouwing is het kenmerkende aspect van de instellingen. Bij verandering van bedrijf of type instelling, leidt dit zelden tot een ingrijpende wijziging in de bouwkundige of architectonische verschijningvorm van het gebouw.

Rechtspraak bij dit artikel