Zolang een gebied als NGE-risicogebied is aangemerkt, moet bij iedere bodemingreep een opsporingsonderzoek (detectie, eventueel gevolgd door benaderen en ruiming) worden uitgevoerd, tenzij de initiatiefnemer aan de hand van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) kan aantonen dat het projectgebied niet meer verdacht is vanwege naoorlogse grondroeringen of dat de werkzaamheden geen invloed hebben op de mogelijk achtergebleven NGE.
Na 1945 heeft de gemeente Breda niet stilgestaan. Gebieden zijn ontwikkeld en er hebben ruimingen van NGE plaatsgevonden. Om vast te kunnen stellen in welke bodemlagen en gebieden sprake is van een verlaagde kans op de aanwezigheid van NGE heeft een inventarisatie plaatsgevonden. Om te kunnen bepalen tot welke diepte de bodem verdacht is op het aantreffen van NGE, is als eerste stap de penetratiediepte van de NGE bepaald. Aan de hand van de informatie over de NGE, de bodemopbouw en sonderingsgegevens uit het DINO-loket en eventueel bij de gemeente aanwezige sonderingsgegevens zijn de NGE-verdachte gebieden in verticale richting afgebakend.
Aan de hand van de onderstaande bronnen is vervolgens vastgesteld waar in de periode tussen 1945 en 2020 grondroeringen en ophogingen hebben plaatsgevonden:
Informatie uit de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen): deze geeft inzicht in de ontwikkeling van de wijken en industrieterreinen. De informatie laat zien er sinds de Tweede Wereldoorlog uitgebreid gebouwd is in de gemeente Breda. Binnen de NGE-verdachte zones betreft dit met name de wijkontwikkeling in de Haagse Beemden en ook in het centrum hebben er veel herontwikkelingsactiviteiten plaatsgevonden.
Ruimtelijke data van de gemeente over openbare wegen en openbaar groen.
Informatie uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem (BIS) over uitgevoerde bodemsaneringen.
Informatie uit Archis over uitgevoerde archeologische opgravingen.
Bestand met ontgrondingen waarvoor de provincie een ontgrondingsvergunning heeft verleend.
De hoogtekaart op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)). Hiermee is gecontroleerd of de vergunde ontgrondingen ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd en tot welke diepte.
Interviews met medewerkers van de gemeente over de wijze van bouwrijp maken van wijken en industrieterreinen.
Tevens is geïnventariseerd op welke locaties in het verleden spontaan NGE zijn aangetroffen bij bouwprojecten, agrarische grondroeringen, et cetera. Sinds 1971 zijn in totaal bij de EODD
512 meldingen van NGE gedaan. Hiervan zijn 160 meldingen afkomstig uit de periode 1980-1990 en 140 meldingen uit de periode 1995-2005. Deze periodes vallen, op basis van de gegevens van de BAG, samen met de grootschalige bouwfasen van woonwijken en bedrijventerreinen. In de periodes tussen deze bouwfasen zijn minder NGE aangetroffen dan daarbuiten. Hierbij wordt aangetekend dat de exacte vindplaats vaak niet bekend is omdat de EODD de huispercelen van bijvoorbeeld agrarische percelen of soms zelfs het politiebureau als vindplaats heeft geregistreerd. Voor zover bekend zijn bij weg- en rioolreconstructies geen NGE aangetroffen.
Voorts zijn de gebieden geïnventariseerd waar al explosievenonderzoek is uitgevoerd en waar vrijgave heeft plaatsgevonden. Hier is een zogenaamd Proces Verbaal van Oplevering (PVVO) opgesteld voor het vrijgegeven gebied. Het resultaat van de inventarisatie is vastgelegd op de Inventarisatiekaart in bijlage 2. Speciale aandacht verdient het stationsgebied. Dit is verdacht op afwerpmunitie. In het kader van de herontwikkeling van de stationszone is een groot deel van het verdachte gebied onderzocht op NGE en vrijgegeven. Dit betreft echter alleen de bodemlaag van 0-4 m -mv. Hoewel de kans klein is, kunnen er in de diepere grondlagen nog NGE aanwezig zijn. Het spoortalud dateert van na de Tweede Wereldoorlog dus hier vangt de verdachte laag pas onder het oorspronkelijke maaiveld aan. De situatie is gevisualiseerd in onderstaande figuur.
Figuur 3.1: Verdachte en vrijgegeven gebieden in de stationszone
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2