Naar hoofdinhoud
Op locaties waar volgens tabel 4.1 aanvullend NGE-onderzoek nodig is, moet een PRA worden uitgevoerd. De PRA heeft tot doel om de risico’s van te verwachten NGE te beoordelen in relatie tot de uit te voeren civieltechnische werkzaamheden en om indien ontoelaatbare risico’s optreden een advies te geven over de benodigde maatregelen om de risico’s te mitigeren. De PRA bestaat standaard uit de volgende onderdelen: Vaststellen van het werkgebied; Analyse van het uitgevoerde historisch vooronderzoek; Vaststellen van de locatie specifieke omstandigheden en verticale afbakening; Identificatie van de civieltechnische werkzaamheden en de factoren van invloed op NGE; Analyse van de gevaar- en identificatie van uitwerkingsfactoren; Beoordeling van de risico’s en aanbevelingen ter mitigatie van ontoelaatbare risico’s. Omdat al een gebiedsdekkend historisch vooronderzoek is uitgevoerd en deze beleidsnota is opgesteld, is bekend welke typen NGE mogelijk aanwezig zijn en in welke bodemlaag deze worden verwacht. De initiatiefnemer kan deze gegevens eenvoudig afleiden uit de NGE-risicokaart in het digitale geoinformatiesysteem van de gemeente. Dit geeft invulling aan de werkstappen 1 t/m 3. Vervolgens dient te worden beoordeeld welke risico’s zijn verbonden aan de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. Hiertoe wordt geïnventariseerd welke civieltechnische werkzaamheden binnen het verdachte gebied worden uitgevoerd (stap 4). De geïnventariseerde handelingen en het effect dat deze op achtergebleven NGE kunnen hebben worden beschreven. Revelante handelingen zijn (niet uitputtend): Aanbrengen van heipalen / damwanden; Ontgraven van (water-)bodem; Ophogen; Monstername in het kader van milieuhygiënisch, grondmechanisch of archeologisch bodemonderzoek; Grondwateronttrekking; Sloopwerkzaamheden inclusief het verwijderen van heipalen / damwanden. De invloedsfactoren van worden per handeling geïnventariseerd en geëvalueerd. Onder andere de volgende invloedsfactoren worden onderscheiden: Beweging; Trillingen/versnellingen in de (water-)bodem; Toucheren van een NGE; Blootstellen aan de buitenlucht. Voor stap 5 worden de gevaarfactoren van de verwachte NGE (en gebruikte ontstekingsmiddelen) geïnventariseerd en beschreven. Denk aan: voorgespannen slagpinveer, gevoeligheid van explosieve stoffen of pyrotechnische of brandladingen. Tevens worden de eventuele bijzondere risico’s van NGE beschouwd, zoals bijvoorbeeld gevormde lading, witte fosfor en toxiciteit. Deze beoordeling kan in stap 6 leiden tot de volgende conclusies: Er is geen sprake van een verhoogd risico in relatie tot de uit te voeren werkzaamheden. Deze conclusie kan worden getrokken indien de werkzaamheden buiten de verdachte bodemlagen plaatsvinden of de werkzaamheden geen effect hebben op de mogelijk aanwezige NGE. In dat geval hoeft er geen projectplan te worden opgesteld en geen detectieonderzoek te worden uitgevoerd. Er is sprake van een verhoogd risico. In dit geval moeten extra maatregelen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen. Bij extra maatregelen gaat het erom dat eventueel aanwezige NGE voor de start van de uitvoering van de werkzaamheden worden opgespoord en verwijderd of de grondroerende werkzaamheden worden begeleid door een WSCS-OCE gecertificeerd opsporingsbedrijf. Dit bedrijf zal hiertoe conform het WSCS-OCE eerst een projectplan opstellen (zie paragraaf 6.2).

Rechtspraak bij dit artikel