Voor locaties die zijn gelegen in de bodemkwaliteitszones ‘B3./O3. Wonen na 1950’ en ‘B6./O6. Buitengebied’ bieden de gemeenten de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart kan dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op het betreffende perceel of de betreffende percelen. Deze vrijstellingsmogelijkheid geldt niet voor de gemeente Neder-Betuwe. De voorwaarden voor de andere gemeenten zijn:
Een historisch onderzoek is uitgevoerd volgens de laatste versie van de NEN 5725 volgens strategie A ‘opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’. Het historisch onderzoek moet zijn uitgevoerd door een gecertificeerd/erkend persoon of bureau voor de BRL 2000 – protocol 2001.
Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor een omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Op basis van de bekende gegevens moet het vragenformulier historische gegevens worden ingevuld door de aanvrager. Bij twijfel beslist het bevoegd gezag of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt.
Het bevoegd gezag moet aantoonbaar het historische onderzoek hebben gecontroleerd.
Binnen de gemeente Tiel geldt de vrijstelling alleen voor kleinschalige particuliere aanvragen (bijvoorbeeld de bouw van 1 of 2 woningen). Voor het gebruik maken van de vrijstellingsmogelijkheid binnen de gemeente Tiel dient contact te worden opgenomen met de gemeente Tiel.
Het historisch onderzoek, eventueel vergezeld van ingevuld vragenformulier, inclusief aantoonbare controle door het bevoegd gezag, moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente waarin de locatie is gelegen en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, worden ingediend.
Als uit het historisch onderzoek blijkt dat de locatie verdacht is voor bodemverontreiniging moet alsnog een verkennend bodemonderzoek volgens een passende strategie uit de NEN 5740 of de NEN 5707 en eventueel een nader onderzoek worden uitgevoerd.
Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen sprake is van een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging of een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld als gevolg van een bedrijfsmatige activiteit, een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een voormalige boomgaard, een gedempte watergang of een verdachte diffuus verontreinigde ophooglaag.
Geldigheidsduur bodemonderzoek
De gemeenten bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging) een bodemonderzoek dat niet is uitgevoerd volgens de meest recente versie van de NEN 5740 en/of NEN 5707 (asbestbodemonderzoek), tóch als representatief beschouwd kan worden voor de bodemkwaliteit. De voorwaarden voor de gemeenten zijn:
De aanvrager moet het vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 8) indienen.
Het bevoegd gezag moet toetsen of
er sinds de uitvoering van het bodemonderzoek geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden;
eventuele verdenkingen die ten tijde van het uitgevoerde onderzoek aanwezig waren op een afdoende wijze zijn onderzocht;
of de bodemkwaliteit, blijkend uit het verouderde bodemonderzoek, toereikend is voor de beoogde bestemming.
Hieronder zijn enkele voorbeelden gegeven:
Weiland of woonbuurt, geen boomgaard, onderzoek uit 2009.
Checken website Topotijdreis, luchtfoto’s en Google streetview (meestal vanaf 2009 beschikbaar). Resultaat er komen geen activiteiten naar voren die de bodem hebben kunnen verontreinigen. Conclusie: als het bodemonderzoek destijds goed is uitgevoerd kan dit onderzoek nog representatief zijn. Als bodemonderzoek niet goed is uitgevoerd moet een aanvullend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Bedrijventerrein, onderzoek uit 2006.
Uitgaan van veranderingen in bedrijfsactiviteiten. Een aanvullend/actualiserend/volledig onderzoek is in het algemeen nodig.
Locatie met mobiele verontreiniging , onderzoek uit 2016.
Een actualiserend onderzoek is nodig.
Asbestverdacht terrein, onderzoek uit 2012.
Nagaan of er voldoende aandacht aan asbest is besteed en of er een analyse (SEM) is uitgevoerd wanneer sprake is van mogelijke asbestvezels. Zo niet, dan moet een verkennend asbestbodemonderzoek worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 11
Artikel 11.3
Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het bodembeheer