Hoofdstuk 3 van de beleidsnota “De Gelderse wegwijzer door bodemland” van de provincie Gelderland richt zich met name op de verontreinigingen waarvoor de provincie Gelderland bevoegd gezag Wet bodembescherming is. Voor de volgende verontreinigingen geldt dat de gemeente bevoegd gezag is of kan zijn in het kader van de Wet bodembescherming:
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging (voor 1987).
Zorgplicht (na 1987).
Na in werking treding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen.
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging
Er is sprake van een niet ernstig geval van bodemverontreiniging indien het volume aan sterk verontreinigde bodem (concentratie > interventiewaarde) minder dan 25 m3 grond en/of
100 m3 bodemvolume grondwater bedraagt. Voor het gehalte aan asbest geldt dat in de grond geen gehalte hoger dan 100 mg/kg ds (gewogen; de interventiewaarde) mag voorkomen.
Voor graafwerkzaamheden in een niet ernstig geval van bodemverontreiniging geldt dat:
De regels van BRL 6000[bronvermeldin43] /7000[bronvermelding 44] niet verplicht zijn op de graafwerkzaamheden;
Een saneringsplan of BUS-melding niet verplicht is;
Minimaal 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een plan van aanpak moet worden ingediend bij zowel de betreffende gemeente als de Omgevingsdienst Rivierenland waar de activiteit plaatsvindt. Het plan van aanpak dient inzicht te geven in de voorgenomen handelingen die worden uitgevoerd en wat er met de vrijkomende grond gebeurt.
Maximaal 10 werkdagen na beëindiging van de werkzaamheden moet een evaluatierapport worden ingediend. Het evaluatierapport moet minimaal de volgende onderdelen bevatten:
Een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden.
De kwaliteit van de putbodem en -wanden na afronding van de sanering en de wijze waarop dit is vastgesteld.
De kwaliteit van de tijdelijk uitgenomen grond dan wel toegepaste grond, inclusief bewijsmiddel (bijvoorbeeld een partijkeuring, certificaat van een grondbank, de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een historisch onderzoek / volledig ingevulde vragenlijst -zie bijlage 8-).
Zorgplicht
Alle verontreinigingen die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 betreffen nieuwe gevallen van bodemverontreiniging waarop het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming (art. 13 Wbb) van toepassing is. Dit betekent dat, voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden, de verontreiniging en de gevolgen daarvan volledig ongedaan moeten worden gemaakt. In geval van een calamiteit of een ongewoon voorval dient de veroorzaker dit direct te melden bij het bevoegde gezag. In de regel is de gemeente bevoegd tot handhaving van de zorgplicht van nieuwe gevallen van verontreiniging. Er zijn echter ook situaties waarin de provincie (bijvoorbeeld bij een zorgplicht op een bedrijfsterrein waarvoor de provincie bevoegd gezag is in het kader van de milieuwetgeving), Rijkswaterstaat (rijkswateren), het Waterschap Rivierenland (wateren die zijn vastgelegd in de legger) of de betreffende gemeente (overige wateren) bevoegd gezag is.
Hoofdstuk 12
Artikel 12.2
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het bodembeheer