3.5.1Aantal en spreiding meetgegevens
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van meetgegevens per deelgebied:
Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar.
De meetgegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied:
Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer meetgegevens beschikbaar.
Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar.
De gemeenten vinden dat het deelgebied ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’ niet hoeft te voldoen aan de noodzakelijk dat 3 meetgegevens per niet-aaneengesloten deelgebied. In dit deelgebied zijn per stof ruim voldoende meetgegevens beschikbaar (474-1.804) om een betrouwbare uitspraak te doen over de te verwachten kwaliteit.
Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (§ 3.3.1), de voorbewerkingen (§ 3.3.3 en § 3.3.4) en het samenvoegen van voorlopige deelgebieden
(§ 3.4), blijkt dat het aantal gegevens per deelgebied ruimschoots voldoet. Ook de ruimtelijke spreiding voor aaneengesloten deelgebieden voldoet. In een aantal niet-aaneengesloten deelgebieden wordt niet voldaan aan de minimumeis dat ten minste 3 meetgegevens beschikbaar zijn. Het betreffen voornamelijk de deelgebieden ter plaatse van de kleine kernen in de regio. In de niet-aaneengesloten deelgebieden zijn niet altijd 3 meetgegevens beschikbaar van de stoffen barium, kobalt, molybdeen en/of de stofgroep PCB. Uit bijlage 4 blijkt dat deze stoffen geen invloed hebben op de kwaliteitsklassen van de voorlopige deelgebieden. De gemeenten accepteren daarom dat in een aantal niet-aaneengesloten deelgebieden minder dan 3 meetgegeven met deze stoffen aanwezig zijn. Voor de overige stoffen wordt wél voldaan aan de minimumeis van 3 meetgegevens per niet-aaneengesloten deelgebied.
Een overzicht van het aantal meetgegevens per stof en per bodemkwaliteitszone staat in bijlage 4 (kolom ‘N’).
3.5.2Splitsen van deelgebieden
Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van LievenseCSO bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen en minerale olie een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering.
Het overzicht van de variatiecoëfficiënten staat in bijlage 4 (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat voor de meeste voorlopige deelgebieden voor één en maar meestal meerdere stoffen sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. Uit de controle is gebleken dat de hoge meetgegevens over het algemeen verspreid over een voorlopig deelgebied liggen en niet een duidelijke clustering van hogere of lagere gehalten is te zien.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.5
Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent de bodemkwaliteitskaart