In deze verordening wordt (mede) verstaan onder:
boom:
a. Een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een omtrek van de stam van minimaal 45 centimeter (ca. 15 centimeter in diameter) gemeten op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;
b. In geval van 'meerstammigheid' geldt de stamomtrek van de dikste stam;
groene kaart:
de informatieve kaart met daarop aangegeven de groenstructuur, groenarme gebieden, centrumgebied, bebouwde komgrens Wet natuurbescherming, (Particuliere) percelen groter dan 250 m2;
houtopstand:
een of meer bomen of boomvormers of andere houtachtige gewassen;
Wet Natuurbescherming:
de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos regelt.
kappen: rooien of verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van een eerste keer kandelaberen.