Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Beoordelingsregels

Onderdeel van Verordening bomen 2021

1. Het college kan aan een omgevingsvergunning ten behoeve van kap, vergunningvoorschriften en beperkingen verbinden. Hiertoe kunnen behoren: a. een compensatieplicht inclusief zorgplicht als bedoeld in de nadere regels voor compensatie bij deze verordening; b. een voorschrift, dat pas gekapt mag worden indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke procedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende zijn gewaarborgd; c. een voorschrift in het kader van de Wet natuurbescherming (bebouwde komgrens Wet natuurbescherming). 2. Een vergunning wordt geweigerd als de belangen van verwijdering van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende intrinsieke waarden: a. Natuurwaarde; b. Landschappelijke waarde; c. Cultuurhistorische waarde; d. Waarde van stads- en dorpsschoon; e. Waarde voor de leefbaarheid; f. Beeldbepalende waarde; g. Dendrologische waarde. 3. Een vergunning voor het kappen van een monumentale bomen kan worden geweigerd indien een zwaarwegend maatschappelijk belang niet zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de monumentale bomen en geen alternatief voorhanden is. 4. Een vergunning voor het kappen van waardevolle bomen kan worden geweigerd indien het maatschappelijk belang niet zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de waardevolle bomen en geen alternatief voorhanden is. 5. Een vergunning voor het kappen of snoeien van houtopstanden voor het plaatsen of de belichting van zonnepanelen, zonnecollectoren en kleine windmolens, die worden toegestaan in de bebouwde omgeving, wordt geweigerd.

Rechtspraak bij dit artikel