Naar hoofdinhoud
Het weigeren of intrekken van een vergunning voor woningverhuur, kan er niet toe leiden dat zittende huurders uit hun woning worden gezet. Er is sprake van een uitsterfconstructie. Dit betekent dat verhuur van de woning waarvoor de vergunning is geweigerd of ingetrokken, alsnog is toegestaan zolang de zittende huurder nog in de woning woont. Er wordt in dat geval een vergunning onder voorwaarden verleend – dan wel de intrekking van de vergunning wordt opgeschort – voor de periode dat de zittende huurder de woning huurt. Voor de uitsterfconstructie is de inschrijving van de huurders in de BRP leidend. Het is alleen mogelijk om huurders te beschermen die staan ingeschreven in de BRP en waarmee de verhuurder een huurovereenkomst heeft afgesloten. Een huurovereenkomst voor bepaalde tijd mag niet worden verlengd. De pandeigenaar krijgt een preventieve last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van overtreding van de regels gedurende deze periode. Bij elke overtreding verbeurt hij een dwangsom. Bij vertrek van de zittende huurder vervalt het recht om de woning (opnieuw) voor verhuur aan te bieden.

Rechtspraak bij dit artikel