Na de toetsing op noodzakelijkheid en evenredigheid dient de burgemeester de betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de burgemeester in principe verplicht om het eigen beleid te volgen zoals weergegeven in bijlage 2. Mochten de omstandigheden daartoe aanleiding geven, dan kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van de richtlijn en de daarin genoemde (zwaarte van de) maatregel. De burgemeester kan ook van dit beleid afwijken als het voor belanghebbenden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot het te dienen doel van dit beleid. Dit moet blijken uit de bijzondere feiten en omstandigheden van de betreffende situatie. In elk individueel geval zal de burgemeester daarom alle relevante feiten en omstandigheden – zowel belastende als ontlastende- zorgvuldig in kaart brengen. Vervolgens worden deze tegen elkaar afgewogen om te beoordelen of de situatie dermate ernstig is dat moet worden afgeweken van de handhavingsmatrix. De burgemeester maakt een keuze tussen het geven van een waarschuwing en het toepassen van bestuursdwang. In dat laatste geval wil de burgemeester het volgende realiseren:
- Door sluiting van het pand de overtreding te stoppen;
- De loop naar het pand te beëindigen;
- Voorkomen dat herhaling van de overtreding plaatsvindt;
- Herstel van het woon- en leefklimaat;
- De naamsbekendheid van het pand als drugspand te niet doen gaan;
- Aan eenieder kenbaar maken welke maatregel hij kan verwachten bij overtreding van de Opiumwet.
De duur van de sluiting is onder andere afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding. Om de loop uit een pand te halen is een minimale sluiting van 3 maanden vaak nodig. Er wordt in dit beleid een onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen. Een sluiting van een woning grijpt meer in op de persoonlijke levenssfeer van een betrokkene dan de sluiting van een lokaal. Gelet op het recht op respect voor het/ieders privé-, familie en gezinsleven en de woning dient bij de sluiting van een woning een nog zorgvuldigere belangenafweging plaats te vinden dan bij lokalen. Bij het sluiten van woning wordt daarom in eerste instantie een sluiting van 3 maanden gehanteerd, bij het sluiten van een lokaal 6 maanden. In gevallen waarin het betrokken lokaal/woning al eerder is gewaarschuwd c.q. gesloten, of waarin het gaat om een eigenaar/bewoner waarvan in het verleden al een andere woning als drugspand is gesloten, deze eerdere overtreding meegenomen wordt in de te volgen gedragslijn op grond van de handhavingsmatrix.
De herstelsanctie van de burgemeester laat onverlet de toepassing van andere bestuursrechtelijke bevoegdheden, zoals het intrekken van een vergunning. Als een lokaal dat gesloten wordt, beschikt over een vergunning / ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet of APV, dan kunnen de vergunningen worden ingetrokken. Als de eigenaar de vergunningen heeft aangevraagd, dan kunnen deze worden geweigerd. Intrekking of weigering is voor de betrokken eigenaar een ingrijpender maatregel dan sluiting, omdat sluiting een tijdelijke situatie is. Intrekking is een definitieve maatregel. Betrokkene kan na intrekking weliswaar een nieuwe vergunning aanvragen, maar de kans dat deze wordt verleend is klein, gelet op de omstandigheden die tot de sluiting en intrekking hebben geleid. Een vergunning wordt in beginsel alleen ingetrokken als de eigenaar mede schuldig is aan de drugshandel.