Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren:
in een rietkraag of op een afstand van minder dan vijf meter vanuit de rietkraag;
op een afstand van minder dan vijf meter van de oever van de haven.
Onverminderd het eerste lid is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren in tegenstelling tot de periode die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een permanent recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig.
Door of namens het college kan ontheffing worden verleend van de verboden in het eerste en tweede lid.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.2
Ankeren
Onderdeel van Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2021