Naar hoofdinhoud
1. . De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. . Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument en met de evenwichtige toedeling van functies in het omgevingsplan. 3. . Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. 4. . De omgevingsvergunning voor een archeologisch monument kan alleen worden verleend indien door de aanvrager van de omgevingsvergunning door middel van archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: het behoud van de archeologische waarden is geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 5. . De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel