Als binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in de zin van de Erfgoedwet, paragraaf 5.1, dienen onverminderd de bepalingen van de Erfgoedwet. In aanvulling daarop geldt dat:
het college bij gravend onderzoek een programma van eisen vaststelt als bedoeld in artikel 1.1 hoofdstuk 4 Erfgoed, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;
de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.1 hoofdstuk 4 Erfgoed, ter goedkeuring aan het college dient te overleggen.
In de nadere regels kan het college bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.
Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, vraagt het college advies aan een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf
Artikel 4.5.1.2