Naar hoofdinhoud
5.. De gemeente kan uitsluitend leningen en garanties verstrekken indien dit geschiedt ter uitoefening van de publieke taak. Een lening of garantie wordt slechts verstrekt aan maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht. 6.. Indien voor een garantieverlening een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening in de vorm van een waarborgfonds (bv. stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw, Waarborgfonds voor de Zorg, stichting Waarborgfonds Sport, Waarborgfonds Kinderopvang) dan dient de aanvraag bij het desbetreffende fonds te worden ingediend. 7.. De gemeente kan mede garant staan in co-garantstelling met een waarborgfonds. 8.. Indien de aanvraag wordt afgewezen door een waarborgfonds, is dit reden voor de gemeente voor afwijzing, tenzij de reden voor afwijzing door het waarborgfonds is dat de aanvraag niet onder de reikwijdte van het fonds valt. 9.. Geen garantie wordt verstrekt aan organisaties die commerciële activiteiten ontplooien of een winstoogmerk hebben of een besloten karakter hebben of zijn gericht op het uitdragen van overtuigingen en denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politieke aard. 10.. Geen garantie wordt verstrekt indien de aanvrager zonder gemeentegarantie een geldlening kan verkrijgen bij een financiële instelling. Een rentevoordeel ten opzichte van een lening bij een financiële instelling zonder gemeentegarantie is op zichzelf onvoldoende reden om een garantie te verstrekken. 11.. Er wordt slechts garantie verstrekt voor een geldlening die dient ter financiering van een (on)roerende zaak. Een garantie wordt niet verleend indien de te financieren (on)roerende zaak niet voldoende zekerheid biedt voor verhaal van rente en aflossing van de te verstrekken garantie. In het geval de te financieren zaak een onroerende zaak is, zal aan de gemeente het recht van (eerste) hypotheek worden verleend en voor roerende zaken een recht van pand worden verleend. Dit gebeurt op kosten van de aanvrager. 12.. De geldlening waarvoor de garantie wordt afgegeven mag uitsluitend worden aangewend voor de financiering van het in de aanvraag genoemde object dan wel voor in de aanvraag aangegeven financieringsbehoefte. 13.. De financiële positie en prognoses van de aanvrager moeten zodanig zijn dat rente en aflossing betaald kunnen worden. 14.. Een vraag tot garantieverlening dient schriftelijk te worden ingediend en gericht te zijn aan het college van burgemeester en wethouders. 15.. De aanvraag tot garantstelling dient, tenzij het college anders bepaald, voorzien te zijn van: Een exemplaar van de statuten; Een uittreksel uit het Handelsregister, niet ouder dan 6 maanden, waaruit de actuele bestuurssamenstelling blijkt; Tekeningen en technische omschrijving als het een garantstelling betreft voor een geldlening m.b.t. aankoop of verbouw van een onroerende zaak; Een document waaruit blijkt dat het onderpand vrij is van pand of hypotheek; De laatst bekende taxatiewaarde van het onderpand voor de OZB in het geval het gaat om een bestaande onroerende zaak; De jaarrekeningen van de laatste drie boekjaren; Een exploitatiebegroting waarin rente en aflossing van de geldlening zijn verwerkt; Een meerjarenbegroting; Een gespecificeerde opstelling van de wijze van financiering van de voorgenomen investering; De conceptleningsovereenkomst dan wel een offerte met de leningsvoorwaarden met/van de beoogde financiële instelling. 16.. De looptijd van de geldlening waarvoor de garantie wordt verstrekt mag niet langer zijn dat de verwachte technische of economische (als deze korter is) levensduur van het object waarvoor de financiering wordt aangewend. 17.. Het object waarvoor de garantie is verstrekt mag niet zonder schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders door de aanvrager van aard of bestemming worden veranderd, vervreemd of met andere hypotheken worden belast. 18.. Afhankelijk van de financiële positie van de aanvrager kan het college van burgemeester en wethouders nadere voorwaarden stellen aan de aanvrager voor het aangaan of verstrekken van geldleningen of het afgeven van garanties. 19.. Aan derden te verstrekken garanties en leningen zoals bedoeld in lid 4, groter dan € 250.000 worden aan de gemeenteraad voorgelegd voor de wensen en bedenkingen procedure. 20.. Aan derden te verstrekken garanties en leningen zoals bedoeld in lid 4, groter dan € 2.500.000 worden aan de gemeenteraad voorgelegd ter besluitvorming. 21.. De gemeente hanteert een risicovergoeding voor het verlenen van een garantie. Deze vergoeding bedraagt voor relatief kleine garantstellingen (< 200 k.) eenmalig 0,75% en bij grote garantstellingen (> 200 k.) jaarlijks 0,5% van het openstaande bedrag. 22.. Met de aanvrager zal een garantieovereenkomst worden aangegaan waarin alle voorwaarden zoals hierboven beschreven worden opgenomen. 23.. Indien door de gemeente betalingen zijn verricht op grond van de garantstelling, dienen deze op eerste aanzegging van het college van burgemeester en wethouders aan haar te worden terugbetaald. De terugbetaling vindt plaats met vergoeding van de dan geldende wettelijke rente, te berekenen vanaf het tijdstip dat door de gemeente uit hoofde van de garantstelling betalingen zijn verricht.

Rechtspraak bij dit artikel