Naar hoofdinhoud
5.1.3.1Provinciale Ontheffing Voor alle reclame-uitingen buiten de bebouwde kom, uitgezonderd reclame-uitingen die omgevingsvergunningsplichtig zijn voor de activiteit "bouwen", is een provinciale ontheffing nodig. Voor Noord-Holland staan de toetsingscriteria hiervoor beschreven in de Landschapsverordening Noord-Holland. Uitgangspunt is dat elk opschrift, aankondiging en afbeelding of constructie daarvoor, in principe, een aantasting van het landschapsschoon betekenen. 5.1.3.2Omgevingsvergunning "reclame" op grond van de Apv Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Het betreft hier niet alleen reclame-uitingen, maar een breder terrein . Het voorstel van de VNG was afschaffing van de vergunningsplicht zodat men algemene regels heeft. Op basis van deze algemene regels kan dan later eventueel worden opgetreden . Met name in het belang van de verbetering van de kwaliteit in de Binnenstad is voorgesteld deze model-bepaling niet 1 op 1 over te nemen. Door het vrijgeven van de mogelijkheid tot het vergunningsvrij plaatsen van de dit soort reclame-uitingen (en we hebben het hier dan over alle uitdragingen die direct verwijzen door middel van een logo of tekst naar het bedrijf of de vereniging/instelling.Het gaat hier dus om vlaggen, uithangborden, driehoeksborden en bijvoorbeeld een super ijsje voor een ijssalon) ontstaat er een onrustig straatbeeld. Gevolg is ook dat de mensen gedwongen worden om ruim langs de winkels te lopen, omdat voor de winkels het vol staat met reclame-uitingen. Dit komt ook de verkoop niet ten goede, want de mensen kunnen zich dan geen goed beeld vormen wat de winkel aanbiedt en lopen er (wellicht ten onrechte) voorbij. Door het aan banden leggen van het aantal vrijstaande reclame-objecten tot maximaal 1 stoepbord (welke moet voldoen aan de criteria die hiervoor zijn opgesteld voor de Binnenstad) zal het plaatsen van losse reclame-uitingen worden tegengegaan, om de kwaliteit (een rustig straatbeeld) te kunnen bewerkstelligen. In artikel 2:10 Apv zijn daarom reclame-uitingen als bedoeld in artikel 4:15 Apv uitgezonderd. Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d. In beginsel is bij het opstellen van deze nota een reclamevergunning nodig voor reclame-uitingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats. Deze vergunningplicht voor reclame-uitingen is geregeld in de Apv. Uit jurisprudentie blijkt dat de Apv geen rechtsgrond mag zijn voor reclame-uitingen waarvoor een omgevingsvergunning "bouwen"nodig is, omdat daarop een hogere wet Wabo) van toepassing is. Het voorstel van de VNG was afschaffing van de vergunningsplicht. Zij stelde de volgende verbodsbepaling voor: "Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving". Bij deze voorgestelde verbodsbepaling van de VNG blijft het welstandsaspect buiten werking. Dit zou betekenen dat sinds de invoering van de Wabo alle niet-zelfstandigebouwwerken zolang zij het verkeer niet in gevaar brengen en er geen ernstige hinder ontstaat voor de omgeving, vergunningsvrij geplaatst zouden mogen worden. Gedacht kan dan worden aan spandoeken die bevestigd worden aan de gevel, gevels waarop de reclame-uiting is geschilderd en aan reclame-uitingen die worden geplakt op de gevel. De reclame-uiting zou dan niet hoeven te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Dit staat haaks op de doelstelling van het reclamebeleid welke inhoudt: regulering van de reclame-uitingen ter bescherming van onder andere de welstand. In artikel 4:15 Apv is gelet op vorenstaande een reclameverbod opgenomen. Het betreft dan een verbod voor alle reclame-uitingen, ook reclame-uitingen op, aan of boven de weg. Een omgevingsvergunning "reclame" is dus nodig voor alle reclame-uitingen niet zijnde een (zelfstandig) bouwwerk (welstandstoets alsmede verkeersveiligheid en overlast). Hierop gelden een aantal uitzonderingen welke genoemd worden in dit artikel. 5.1.3.3Omgevingsvergunning "Bouwen" Als een reclame-uiting is aan te merken als (zelfstandig) bouwwerk, is een omgevingsvergunning "bouwen" vereist. Onder 'bouwwerk' wordt verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, of steun vindt in of op de grond. Mobiele reclame met enige omvang met een permanent karakter wordt ook gezien als een bouwwerk ingevolge de Wabo. Of een bouwplan (bouw)vergunningplichtig of -vrij is wordt bepaald in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Bij een aanvraag om omgevingsvergunning "bouwen" wordt het bouwwerk getoetst aan o.a. het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Als blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is, dan hoeft het bouwplan dus niet vooraf door de gemeente getoetst te worden aan de bouwregelgeving. De gemeente kan echter achteraf een eigenaar van een reclame-uiting wel aanzetten om eventueel gebleken strijdigheden met het Bouwbesluit op te heffen. Een vergunningvrij (zelfstandig) bouwwerk mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Wanneer sprake is van een reclame die in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, wordt bepaald aan de hand van de richtlijnen in deze reclamenota of in de welstandsnota onder de titel van een zogenaamde excessenregeling. Daarmee kan ook repressief worden gehandhaafd (achteraf worden ingegrepen). 5.1.3.4Omgevingsvergunning "Monumenten/beschermd stads- of dorpsgezicht" Voor reclameobjecten op of aan geregistreerde monumenten danwel gelegen in een door de overheid aangewezen gebied beschermd stads- of dorpsgezicht, is naast de omgevingsvergunning "bouwen" ook een omgevingsvergunning "monumenten" vereist. Dit betekent dat in die gevallen ook wordt beoordeeld in hoeverre de monumentale waarde van het pand beïnvloed wordt door een reclame-uiting. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de zogenaamde redengevende omschrijving van het monument. Voor rijksmonumenten kan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten adviseren. Voor provinciale monumenten beslist de provincie en voor gemeentelijke monumenten adviseert de Commissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Bevoegd gezag om te beslissen op de aanvragen om vergunning voor zowel een rijks-, provinciaal- als een gemeentelijk monument, is (behalve bij Defensieobjecten) het college van burgemeester en wethouders. Door de registratie van een monument als rijksmonument, provinciaal monument of gemeentelijk monument is vastgelegd dat een bepaald pand en de omgeving een waardevol cultuurhistorisch karakter hebben die beschermd moeten worden. Het is dan van groot belang dat reclameobjecten op een harmonieuze manier opgenomen worden in de architectuur van het pand of daartoe zelfs aan bijdragen. De cultuurhistorische waarden van het monument dienen gerespecteerd te worden/daaraan mag geen afbreuk gedaan worden. In deze reclamenota zijn voor monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten specifieke richtlijnen opgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel