Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.2

Uitbereiding sluitingsbevoegdheid

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Noordenveld

Sinds 1 januari 2019 is de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester in artikel 13b Opiumwet verruimd met voorbereidingshandelingen. Bij de verruiming gaat het om voorbereidingshandelingen en stoffen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a lid 1 onder 3° en 11a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning, in het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het onder meer bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs of bedrijfsmatige hennepteelt. De situatie zal van een zodanige aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Kenmerk van die strafbare feiten is dat op zichzelf legale gedragingen, zoals het voorhanden hebben van dextrose, toch strafbaar zijn vanwege de intentie waarmee ze verricht worden, bijvoorbeeld het gebruik als versnijdingsmiddel. Het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, lid 1 onder 3°, of artikel 11a is dus alleen verboden (en in dat geval ook strafbaar) als degene die het voorwerp of de stof voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het plegen van een drugsdelict. Dat vergt een bestuurlijke beoordeling aan de hand van de feitelijke omstandigheden zoals die door de politie zijn vastgesteld. Hierbij valt te denken aan feiten die de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd maken om een pand te betreden, de ter plekke aangetroffen situatie en de hoeveelheid in beslag genomen stof. Op de burgemeester rust niet de bewijslast van een strafbaar feit, maar hij zal wel voor zijn rekening moeten nemen en moeten kunnen onderbouwen dat, gezien door de politie geconstateerde feitelijkheden, voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een verboden voorbereidingshandeling. De verruiming van artikel 13b Opiumwet geldt niet voor in een pand aangetroffen vervoersmiddelen, gelden of andere betaalmiddelen als bedoeld in artikel 10a, lid 1 onder 3° of artikel 11a. In veel gevallen zal de relatie van vervoers- of betaalmiddelen met het pand onvoldoende duidelijk zijn om sluiting van het pand te rechtvaardigen. Evenmin geldt de verruiming van de sluitingsbevoegdheid als in een pand een (geheime) ruimte wordt aangetroffen als bedoeld in artikel 11a. Dit neemt niet weg dat het aantreffen van vervoers- of betaalmiddelen of (geheime) ruimten wel kunnen bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel