Naar hoofdinhoud
Een lid van het dagelijks bestuur, dat zich aan kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak heeft schuldig gemaakt, kan te allen tijde als zodanig door het college worden geschorst, nadat de dorpsraad een daartoe strekkend voorstel heeft gedaan. Onder grove verwaarlozing van de taak wordt mede begrepen het zonder genoegzame grond weigeren de in artikel 23, lid 2 bedoelde inlichtingen te verstrekken. Het college onderwerpt het al dan niet handhaven van het betrokken lid zodra mogelijk aan het oordeel van de raad, die na de geschorste in de gelegenheid te hebben gesteld zich tegenover een commissie, bestaande uit de voorzitters van de fracties van de raad, te verdedigen, hem als lid kan ontslaan. Indien de raad geen aanleiding vindt het lid te ontslaan, heft hij de schorsing op. Het lid dat is ontslagen op grond van dit artikel, is gedurende twee jaren, te rekenen van de dagtekening van het raadsbesluit tot ontslag van het lid, niet tot lid benoembaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel