In aanvulling op het gestelde in artikel 2.1.10 komt een cliënt in aanmerking voor een woonvoorziening als:
a. de beperkingen niet voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
b. de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
c. de woonruimten geschikt zijn voor permanente bewoning.;
d. het niet om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. ;
e. de noodzaak niet het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
f. de cliënt is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning en daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie alleen met noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1
Artikel 2.1.10a