Naar hoofdinhoud
1.. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening. 2.. Het college kan een individuele voorziening verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, is vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben en deze: op eigen kracht of met andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn ondersteuningsvraag kan vinden; geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemeen toegankelijke voorziening; geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening. 3.. Het college verstrekt een individuele voorziening als een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder, na een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid onder a. tot en met i., van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 4.. Het college kan afwijken van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in lid 3, indien dit oordeel niet voldoet aan het bepaalde in het derde lid of de professionele standaard. 5.. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van: een passende voorziening die het meest effectief (doeltreffend) en efficiënt (doelmatig) is; die zo licht en kortdurend als mogelijk is; en tegen de laagste kosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel