Naar hoofdinhoud
1.. Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het gespreksverslag en/of het (gezins)plan zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, wordt vastgesteld dat de jeugdige: op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening, of geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening; 2.. Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor zover met betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3, tweede en vierde lid, is afgegeven; 3.. Conform artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college alleen een individuele voorziening in de vorm van een pgb: als de jeugdige of zijn ouders, al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; als de jeugdige of zijn ouders overtuigend kunnen motiveren waarom zij de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend achten; als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een aanbieder of een persoon die behoort tot het sociale netwerk, van goede kwaliteit is; 4.. Degene aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de individuele voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien deze persoon: voor zijn diensten niet meer krijgt betaald dan het vastgesteld bedrag in de nadere regels; niet heeft aangegeven dat de zorg aan de ontvanger van het pgb hem te zwaar valt; het pgb niet zal gebruiken voor de betaling van tussenpersonen of belangbehartigers, en op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb heeft uitgeoefend bij diens besluitvorming. 5.. Het college stelt nadere regels over de hoogte van een pgb en de wijze waarop deze wordt vastgesteld. 6.. Onverminderd artikel 8.1.1. van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Tevens is er geen recht op een pgb indien de jeugdige of zijn ouders zich eerder niet heeft gehouden aan, bij eerdere verstrekking van een pgb, opgelegde verplichtingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel