Naar hoofdinhoud
1.. Als dichtstbijzijnde toegankelijke school kan worden aangemerkt de school van de gewenste richting die naar afstand het dichtstbij de woning gelegen is, gemeten langs de kortste weg voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. 2.. De dichtstbijzijnde toegankelijke school voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs is een school die de onderwijssoort biedt waarop een kind is aangewezen op grond van zijn beperking; de school waarvoor een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) is afgegeven door het regionale samenwerkingsverband (betreft cluster 3 en 4), of de onderwijsinstelling waarvan de Commissie van onderzoek van de instelling zelf beoordeelt dat het kind in aanmerking komt voor onderwijs aan slechtziende/blinde kinderen of slechthorende/dove kinderen (betreft cluster 1 en 2). 3.. Bij de beoordeling of sprake is van de dichtstbijzijnde toegankelijke school wordt rekening gehouden met de op godsdienstige of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders voor een school (= gewenste richting). Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplan-, montessori-, dalton-, en freinetscholen.

Rechtspraak bij dit artikel