Naar hoofdinhoud
1.. Op ieder moment in het schooljaar kunnen ouders/verzorgers en leerlingen/jeugdigen met de gemeente in gesprek gaan over de mogelijkheden om (meer) zelfstandig te gaan (leren) reizen. 2.. Daarnaast kan de gemeente aan deskundigen op school of in het wijkteam, of aan andere deskundigen vragen om te beoordelen of (leren) zelfstandig reizen passend is voor de leerling/jeugdige. 3.. Indien het nodig is om zelfstandig reizen te oefenen met de leerling/jeugdige, zijn ouders/verzorgers en het eigen netwerk de eerste aangewezenen om dit te doen. 4.. Als begeleiding door een vrijwilliger of professional nodig is en de leerling/jeugdige heeft via de Jeugdwet al een vorm van persoonlijke begeleiding, zal worden bekeken op deze begeleider ook de hulpvraag van het zelfstandig(er) reizen op kan nemen in het hulpverleningsplan. Zo niet, dan wordt een passende voorziening getroffen in overleg met de ouders en de leerling/jeugdige. 5.. Als tijdens de oefenperiode de vervoersvoorziening moet worden aangepast, zal vanuit leerling- en jeugdhulpvervoer hiervoor medewerking worden verleend. Daarbij kan gedacht worden aan aangepast vervoer op alleen de heen-/terugreis, of op enkele dagen in de week, in plaats van elke dag. 6.. Als het zelfstandig(er) reizen toch niet haalbaar blijkt te zijn, dan is er (weer) aanspraak op een vervoersvoorziening op basis van een beperking in zelfstandig reizen, conform de verordening. 7.. Ouders die niet meewerken aan het (leren) zelfstandig reizen, kunnen na een redelijke geachte periode geen aanspraak meer maken op de vervoersvoorziening. Als redelijk wordt een periode aangehouden tussen de 1 en maximaal 3 maanden, namelijk de periode waarin de leerling/jeugdige zelfstandig zou kunnen leren reizen. Ouders worden hierover vooraf bericht. 8.. Als de leerling/jeugdige naar oordeel van de deskundige per direct zelfstandig kan reizen, geldt een overgangsperiode van 1 maand.

Rechtspraak bij dit artikel