De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 3 is gelijk aan het bedrag van de door de aanvrager in het betreffende belastingjaar betaalde onroerendezaakbelastingen voor de sportvoorziening, dan wel het gebouw waarin het betreffende dorpshuis is gevestigd, exclusief eventueel bijkomende invorderingskosten en overige kosten.