Het Besluit bodemkwaliteit vermeldt duidelijk welke onderzoeken in welke gevallen als bewijsmiddel kunnen gelden:
Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de (ontvangende) bodem kan onderzoek conform NEN5740 gebruikt worden, waarbij het onderzoek is uitgevoerd volgens één van de volgende strategieën:
onverdacht (ONV)
grootschalig onverdacht (ONV-GR)
onbekende bodembelasting (ONB)
toetsing schone bodem (TOETS-S)
toetsing schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR)
partijkeuring van niet schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE)
Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen partij grond kan onderzoek conform NEN5740 gebruikt worden, waarbij het onderzoek in-situ is uitgevoerd volgens één van de volgende strategieën:
toetsing schone bodem (TOETS-S)
toetsing schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR)
partijkeuring van niet schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE)
Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de (ontvangende) waterbodem kan gebruikt worden:
NEN5720 of het onderzoeksprotocol voor de bodem onder oppervlaktewater, genoemd in bijlage D, onderdeel II van de regeling
(bij verspreiden is geen bodemonderzoek noodzakelijk)
Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen partij baggerspecie kan gebruikt worden:
NEN5720 of het onderzoeksprotocol voor de bodem onder oppervlaktewater, genoemd in bijlage D, onderdeel II van de regeling
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.10
Artikel 3.10.4
Bodemonderzoek
Onderdeel van Zicht op Grond – bodembeheernota Leeuwarden 2020