4.6.1 Geluidproductie
Tijdens evenementen ontstaat in meer of mindere mate geluidshinder voor de omgeving. Dit is onvermijdelijk en tot op een zekere hoogte aanvaardbaar, omdat festiviteiten bij het dorpsleven en de leefbaarheid horen en de geluidshinder beperkt is tot een aantal dagen per jaar. De basis hiervoor is artikel 4:6 van de APV. Om de overlast binnen de perken te houden worden geluidsnormen opgelegd. Gedurende het evenement moet de organisator alles in het werk stellen om geluidsoverlast tot een minimum te beperken.
Bij geluidsproductie wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige activiteiten en buitenactiviteiten. Een buitenactiviteit vindt plaats in de openlucht, in een tent, onder een overkapping of een ander bouwsel wat niet of nauwelijks geluid absorbeert. Als evenementen tegelijkertijd zowel inpandig als buiten gevierd worden gaan de geluidsnormen voor buitenactiviteiten boven de geluidsnormen voor inpandige activiteiten.
De metingen moeten uitgevoerd worden conform de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”. Bij de beoordeling wordt geen strafcorrectie voor muziekgeluid, bedrijfsduurcorrectie en meteocorrectie toegepast. Metingen worden verricht op het gemiddelde geluidsniveau, het equivalente geluidsniveau (LAeq), over 1 tot 5 minuten (LAeq,T). Metingen op de gevel worden in principe uitgevoerd op de gevel van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten. Als er binnen een afstand van 50 meter van een podium (openlucht) of tent geen geluidsgevoelige objecten zijn gesitueerd dan worden de metingen verricht op een afstand van 50 meter. In de meeste gevallen wordt gemeten op de dB(A)-norm (gemiddelde van de gehoorde geluidssterkte over alle toonhoogtes (frequenties)) en op de dB(C)-norm (gemiddelde over alle toonhoogtes waar lage tonen sterker worden meegeteld).
De GGD Brabant-Zuidoost heeft geadviseerd om lokaal beleid te ontwikkelen om gehoorschade bij bezoekers van evenementen te voorkomen. De GGD maakt hierbij een verschil in drie geluidsnormen, te meten op een afstand vanaf een geluidproducerende voorziening, namelijk 88 dB(A), 92 dB(A) en 103 dB(A). Aan deze normen conformeert de gemeente zich. Afhankelijk van welke norm van toepassing is moet een organisatie maatregelen nemen om gehoorschade te voorkomen.
4.6.1.1 Evenementen buiten een inrichting
Op grond van artikel 4.6. van de APV is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer op een zodanige wijze toestellen te gebruiken of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat of een ernstig risico bestaat op letsel en/of andere vormen van gehoorschade. Van het verbod in artikel 4:6 van de APV kan ontheffing worden verleend. Aan die ontheffing worden geluidsnormen gekoppeld. Deze geluidsnormen gelden zowel voor buitenevenementen als evenementen in een gebouw die niet tot een inrichting behoort.
Algemeen
Binnen de gemeente worden op verschillende locaties evenementen gehouden. Daarbij gelden de volgende geluidsvoorschriften:
Het equivalente geluidsniveau (LAeq,T) tijdens het evenement mag op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten, niet hoger zijn dan 70 dB(A) en 85 dB(C) (geen akoestisch onderzoek nodig).
Aanvullingen
Aanvullend op de algemene geluidsvoorschriften kan één van onderstaande aanvullingen van toepassing zijn.
A-evenementen
Aanvullend op de algemene geluidsnormen geldt voor evenementen waarvoor het evenement afgedaan kan worden met een melding het volgende:
• Het LAeq,T mag tijdens het evenement op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 92 dB(A).
B- en C-evenementen
Aanvullend op de algemene geluidsnormen geldt voor evenementen waarvoor een evenementenvergunning vereist is het volgende:
Het LAeq,T mag tijdens het evenement op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 103 dB(A) en 118 dB(C).
Evenementen voor 18-
Aanvullend op de algemene geluidsnormen en in afwijking van het niveau voor meldingsplichtige of vergunningsplichtige evenementen geldt voor evenementen die (voornamelijk) gericht zijn op personen jonger dan 18 jaar het volgende:
Het LAeq,T mag tijdens het evenement op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 88 dB(A).
Uitzonderingen
In principe gelden de algemene geluidsvoorschriften, tenzij één of meerdere van onderstaande uitzonderingen van toepassing is. Dan gelden ook de geluidsvoorschriften van de uitzondering in plaats daarvan.
Aangewezen evenemententerreinen
In de gemeente zijn in bestemmingsplannen locaties aangewezen als evenemententerrein. Deze terreinen zijn aangewezen, omdat meerdere keren per jaar hier evenementen (kunnen) worden gehouden. In principe gelden hiervoor de algemene geluidsnormen, dus LAeq,T niet hoger dan 70 dB(A) en 85 dB(C), maar omdat op de aangewezen terreinen veelal de grotere (muziek)evenementen worden georganiseerd en deze terreinen veelal zijn gelegen tussen geluidsgevoelige objecten, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten andere geluidnormen toe te staan. Wanneer met een akoestisch rapport aangetoond wordt dat een LAeq,T van 70 dB(A) en 85 dB(C) niet haalbaar is en de geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen of andere geluidgevoelige objecten dus overschreden zal worden, mag het LAeq,T niet hoger zijn dan 85 dB(A) en 99 dB(C). Uit het akoestisch onderzoek moet blijken wat het maximaal benodigde LAeq,T is.
Terreinen mede bestemd voor evenementen
Ook zijn in bestemmingsplannen locaties mede bestemd voor evenementen, bijvoorbeeld binnen een bestemming ‘groen’ of verkeer’. Op dergelijke locaties gelden in principe ook het algemene LAeq,T, dus niet hoger dan 70 dB(A) en 85 dB(C). Niet voor alle soorten evenementen zal dit echter voldoende zijn. Wanneer met een akoestisch rapport aangetoond wordt dat een LAeq,T van 70 dB(A) en 85 dB(C) niet haalbaar is en de geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen of andere geluidgevoelige objecten dan dus overschreden zal worden, mag het LAeq,T niet hoger zijn dan 85 dB(A) en 99 dB(C). Uit het akoestisch onderzoek moet blijken wat het maximaal benodigde LAeq,T is.
Kermisterreinen
De attracties op een kermis, wat ook een evenement is, produceren geluid. In afwijking van de algemene geluidsvoorschriften moeten de attracties aan de volgende geluidsvoorschriften voldoen:
Het LAeq,T op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten, mag niet hoger zijn dan 85 dB(A) en 99 dB(C).
Het LAeq,T mag per attractie niet hoger zijn dan 88 dB(A), gemeten op een afstand van 2 meter rondom de attractie op 1,5 meter meethoogte.
Horeca tijdens kermis
Voor evenementen (deels) buiten de grenzen van de inrichtingen van horecagelegenheden op of direct aansluitend aan het kermisterrein (tijdens een kermis in betreffende kern) mag het LAeq,T tijdens de kermisdagen in de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag tot 0.45 uur en de overige dagen tot 23.45 uur niet meer bedragen dan 85 dB(A) en 99 dB(C) op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten.
Carnavalsoptochten
Deelnemende wagens en groepen aan een carnavalsoptocht of een andere vergelijkbare optocht produceren geluid. In afwijking van bovengenoemde geluidsnormen moeten de deelnemers aan een dergelijke optocht aan de volgende geluidsnormen voldoen:
Het gemiddelde geluidsniveau ter hoogte van de loopgroep voor de wagen mag niet hoger zijn dan 103 dB(A), hierbij worden geluid producerende voorzieningen niet (haaks) op het publiek gericht. De geluid producerende voorzieningen op de wagen zijn naar voren, naar de loopgroep toe, gericht. De geluid producerende voorzieningen op het startwagentje zijn naar achteren, ook naar de loopgroep toe, gericht. Vanwege mogelijke overlast wordt geadviseerd de geluid producerende voorzieningen niet te hoog te hangen.
4.6.1.2 Evenementen in een inrichting
Voor inrichtingen die vallen onder de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit gelden de daarin opgenomen geluidsnormen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek. Op basis van artikel 4:3 van de APV kunnen 4 keer per jaar incidentele festiviteiten worden georganiseerd, waarbij andere geluidsnormen gelden voor het ten gehore brengen van versterkte muziek binnen de grenzen van de inrichting, mits een kennisgeving van de incidentele festiviteit is gedaan. In de APV zijn de afwijkende geluidsnormen opgenomen, met daarbij de maximale eindtijd. Hierbij mag zowel inpandig als op het buitenterrein van de inrichting versterkte muziek ten gehore worden gebracht. Bij collectieve festiviteiten op basis van artikel 4:2 van de APV gelden ook andere geluidsnormen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek, dan opgenomen in de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit. In de APV zijn ook hiervoor de afwijkende geluidsnormen en eindtijd opgenomen, die zowel voor inpandig als het buitenterrein gelden.
Voor onversterkte muziek gelden de normen, zoals die zijn opgenomen in artikel 4:5 van de APV.
Voor evenementen binnen de grenzen van een inrichting, dus niet de normale bedrijfsvoering of incidentele of collectieve festiviteiten, gelden dezelfde geluidsvoorschriften inclusief de aanvullingen en uitzonderingen daarop als bij niet-inrichtingen.
Maatwerkvoorschriften
Als bij een inrichting het organiseren van evenementen (buiten gebouwen) tot de normale bedrijfsvoering hoort kan het zijn dat de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit te laag zijn. In dat geval kunnen maatwerkvoorschriften voor die inrichting worden vastgesteld. Er kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen voor de bedrijfsduurcorrectie, een ander LAeq,T en maximaal geluidsniveau LAmax (eventueel voor een bepaalde activiteit), plaats waar de geluidsnormen gelden en technische voorzieningen en gedragsregels om aan de geluidsvoorschriften te voldoen.
4.6.2 Eindtijden
Het ten gehore brengen van versterkte en onversterkte muziek mag gebeuren vanaf 10.00 uur. In de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag mag dit tot maximaal 0.45 uur en in de nachten van zondag op maandag tot en met donderdag op vrijdag tot maximaal 23.45 uur, zijnde een kwartier voor de eindtijd van het evenement. Als een evenement wordt georganiseerd op een dag voor een nationale feestdag mag de eindtijd ook in de nachten van zondag op maandag tot en met donderdag op vrijdag maximaal 0.45 uur bedragen. Bij uitzondering kan van de gestelde tijden worden afgeweken.
Voor evenementen in (reguliere) openbare inrichtingen mag (on)versterkt geluid worden geproduceerd binnen de reguliere openingstijden (eventueel met ontheffing daarop) van het bedrijf (bijvoorbeeld horecabedrijf of paracommerciële inrichting). Voor evenementen buiten de inrichting, ook als het evenement slechts deels buiten de inrichting plaatsvindt, gelden de algemene eindtijden van 0.45 uur, respectievelijk 23.45 uur. Voor collectieve festiviteiten of gemelde incidentele festiviteiten gelden de eindtijden zoals die zijn opgenomen in de APV, zijnde uiterlijk 01.00 uur.
4.6.3 Gehoorschade en -bescherming
Beperken geluidsvolume
Om gehoorschade bij kinderen/jongeren te voorkomen mag bij evenementen die voornamelijk gericht zijn op personen jonger dan 18 jaar het gemiddelde geluidsniveau op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte maximaal 88 dB(A) bedragen. Dit is inclusief stem- en omgevingsgeluid. Van kinderen kan namelijk niet verwacht worden dat zij hun eigen gehoor beschermen. Waarschuwingen en gehoorbescherming zijn dan niet nodig.
Bij meldingsplichtige A-evenementen mag het gemiddelde geluidsniveau op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte maximaal 92 dB(A) bedragen. Dit is de gezondheidskundige streefwaarde en is inclusief stem- en omgevingsgeluid.
Alleen bij vergunningsplichtige evenementen mag het gemiddelde geluidsniveau op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte meer dan 92 dB(A) bedragen, inclusief stem- en omgevingsgeluid. Het geluidsniveau mag maximaal 103 dB(A) bedragen inclusief stem- en omgevingsgeluid, mits onderstaande aanvullende maatregelen worden getroffen. Wel moet zoveel als mogelijk gestreefd worden naar een geluidsniveau rond de 92 dB(A).
De organisator moet in het aanvraagformulier aangeven welke maatregelen worden genomen ter voorkoming van gehoorschade. Hierdoor wordt de organisator gedwongen na te denken over het geluidsniveau bij een podium of geluidproducerende voorziening en eventueel te nemen maatregelen.
Maatregelen gehoorbescherming
Bij een geluidsniveau hoger dan gemiddeld 92 dB(A) is gehoorbescherming erg belangrijk. Dit geldt zowel bij inpandige als buitenevenementen. Bij evenementen met een dergelijke geluidsniveau moet daarom door de organisatie informatie worden verschaft over gehoorschade, gehoorbescherming met een muziekfilter beschikbaar worden gesteld en moeten de geluidsboxen tot een afstand van 2 meter van het publiek worden afgeschermd.
Informatievoorziening
Bezoekers moeten worden voorgelicht over:
hoe zij gehoorschade kunnen voorkomen;
waar gehoorbescherming verkrijgbaar is op het terrein;
de te verwachten geluidsniveaus en op welke plekken op het terrein het volume zo laag is dat het gehoor rust kan krijgen (bijvoorbeeld geluidplattegronden en actuele decibeldisplays).
Informatieverstrekking kan bijvoorbeeld via de website van het evenement, bij de ticketverkoop, in het programmaboekje, op een plattegrond of op posters of digitale schermen.
Gehoorbescherming
Op het evenemententerrein moet op een laagdrempelige manier gehoorbescherming verkrijgbaar zijn. Dit kan door bijvoorbeeld verkoop van gehoorbescherming door de organisatie bij de ingang, EHBO of bonnenverkoop, door oordopautomaten of een standplaats van een fabrikant/leverancier. Het is raadzaam de gehoorbescherming al bij de verkoop van de tickets mee te verkopen.
Gehoorbescherming die wordt aangeboden moet het geluid aanzienlijk reduceren, zonder dat dat ten koste gaat van de geluidbeleving. Gehoorbescherming moet een minimale beschermingsfactor van SNR15 hebben. Schuimoordoppen als gehoorbescherming worden afgeraden, omdat deze vaak niet goed afsluiten, deze doppen de muziek vervormen en er lastig een gesprek mee gevoerd kan worden. Ook worden schuimoordoppen vaak niet goed ingedaan, waardoor een vals gevoel van veiligheid ontstaat.
Personen die vervoerd worden op of in de wagen tijdens een (carnavals)optocht of zich bevinden in de loopgroep rondom de wagen zijn verplicht gehoorbescherming met een minimale beschermingsfactor van SNR15 te dragen (geen schuimoordoppen).
Overige bescherming
Onderstaande maatregelen zijn niet verplicht, maar helpen de gehoorschaderisico’s verder te beperken, meestal zonder aantasting van de geluidbeleving:
De muziekinstallatie is voorzien van een geluidsbegrenzer.
Creëer geluidsluwe zones en las stilte pauzes in op festivals. Zorg ook voor dynamiek in de muziek door een bewuste afwisseling van geluidsvolume tussen en binnen nummers. Daardoor blijft de beleving goed gedurende het evenement (of neemt deze zelfs toe), zonder dat het nodig is om de volumeknop in de loop van de tijd steeds verder open te draaien. Het maakt bezoekers eerder bewust van bijvoorbeeld oorsuizingen als eerste signaal dat het geluid te hard is.
Bepaal de meest ideale opstelling van de geluidsinstallatie en inrichting van de locatie, met het doel de geluidsbelasting voor de bezoekers te beperken. Let op bij buitenevenementen: dit moet niet ten koste gaat van de geluidbelasting bij omwonenden, i.v.m. geluidhinder.