5.1.1 Collectieve festiviteit
In artikel 4:2 van de APV heeft de gemeenteraad jaarlijkse collectieve festiviteiten aangewezen. Voor een aangewezen collectieve festiviteit gelden de geluidsnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.19 en 2.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, in artikel 4:5 van de APV of in paragraaf 4.6.1 van dit uitvoeringsbeleid evenementen niet.
Carnaval is voor alle kernen aangewezen als jaarlijks terugkerende collectieve festiviteit. Voor inrichtingen gelden tijdens de collectieve festiviteiten aparte geluidsnormen tot de in artikel 4:2 lid 7 opgenomen tijden. Deze geluidsnormen zijn opgenomen in artikel 4:2 APV.
5.1.2 Carnavalsoptocht
Naast de in paragraaf 5.7 genoemde criteria worden de voorschriften, zoals hieronder opgenomen, verbonden aan het organiseren van een carnavalsoptocht of vergelijkbare andere optocht met carnavalswagens.
Door de grootte van carnavalswagens kan het noodzakelijk zijn dat bomen langs de route worden gesnoeid voor de optocht of dat lantaarnpalen gedraaid moeten worden. Dat zijn niet gewenste ingrepen in het openbaar gebied en zullen dus ook niet uitgevoerd worden ten behoeve van een carnavalsoptocht. Daarnaast kunnen carnavalswagens instabiel zijn of niet brandveilig. Om die reden moeten alle carnavalswagens die deelnemen aan een optocht in de gemeente aan de volgende voorschriften voldoen:
De afmetingen van de wagens moeten zodanig zijn dat de wagens veilig en ongehinderd de te volgen route kunnen rijden. Dit betekent dat de hoogte zodanig moet zijn dat de route kan worden gereden zonder dat bomen, lantaarnpalen en andere obstakels worden beschadigd.
Als gebruik wordt gemaakt van een schuif- en/of kantelmechanisme moet de uitbeelding op de wagen in snel tempo teruggebracht kunnen worden. Het zwaartepunt van de constructie moet binnen de wielbasis en spoorbreedte van de wagen blijven.
Alle wagens moeten op een deugdelijke manier aan de voor-, achter- en zijkanten dicht zijn, zodat de wielen worden afgeschermd, waarbij aan de onderzijde een vrije ruimte aanwezig moet zijn van minimaal 25 tot maximaal 35 centimeter.
Alle wagens moeten op een deugdelijke manier aan het trekkende voertuig zijn bevestigd.
Alle wagens moeten aan de voor- en achterzijde voorzien zijn van een trek- of sleepoog (voor noodsituaties).
Het zwaartepunt van de wagen moet zodanig liggen dat bij een klapband of dergelijke de wagen niet kantelt.
Bij scharende wagens moeten er minimaal 4 begeleiders aanwezig zijn, op iedere hoek 1. Bij niet scharende wagens moeten er minimaal 2 begeleiders aanwezig zijn. De begeleiders moeten minimaal 16 jaar zijn en duidelijk herkenbaar zijn aan een witte armband om de linkerarm of een opvallend tenue voorzien van het verenigingslogo.
De bestuurder van het voertuig moet steeds een goed uitzicht hebben. Afwijking hiervan is alleen toegestaan als 1 extra begeleider en de chauffeur van de wagen gezamenlijk in direct onderling contact met elkaar staan via een elektronisch communicatiemiddel, zodat de chauffeur over de te rijden route kan worden geloodst.
Geluidproducerende voorzieningen mogen niet (haaks) op het publiek gericht zijn. De geluidproducerende voorzieningen op de wagen moeten naar voren worden gericht, naar de loopgroep toe. De geluidproducerende voorzieningen op het startwagentje moeten naar achteren worden gericht, ook naar de loopgroep toe. Vanwege mogelijke overlast wordt geadviseerd de geluidproducerende voorzieningen zo laag mogelijk te hangen.
Het gemiddelde geluidsniveau ter hoogte van de loopgroep voor de wagen mag niet hoger zijn dan 103 dB(A).
Personen die vervoerd worden op of in de wagen of zich bevinden in de loopgroep rondom de wagen moeten gehoorbescherming met een minimale beschermingsfactor van SNR15 dragen (geen schuimoordoppen).
Personen die zich op de wagen op een hoogte van meer dan 2,5 meter van de grond bevinden moeten door aanlijnen, zekeren of een andere deugdelijke valbeveiliging voorzien zijn van een valbeveiliging.
De snelheid die gereden mag worden mag niet hoger zijn dan 15 km/uur (stapvoets).
Als in een act bij de wagen gebruik wordt gemaakt van motorvoertuigen mag de snelheid ook met deze voertuigen niet hoger zijn dan 15 km/uur (stapvoets). Binnen 5 seconden moet het voertuig tot stilstand kunnen worden gebracht. Voertuigen die niet stapvoets kunnen rijden zijn niet toegestaan.
Aan de buitenzijde van de wagen moet een externe noodrem aanwezig zijn of er moet wanneer de chauffeur ingebouwd is in de wagen een tweede persoon de chauffeur vergezellen.
Gebruik van luchtdrukflessen, compressoren en appendages is toegestaan, mits gebruik wordt gemaakt van veilig en deugdelijk materiaal (bij voorkeur voorzien van een keurmerk).
Brandveiligheid:
Op elke wagen moet minimaal een goedgekeurd draagbaar blustoestel met een inhoud van minimaal 6 liter/kilo beschikbaar zijn, geschikt voor het blussen van branden in brandklasse A, B en C. Elk ander object, niet zijnde een wagen, moet ook van een dergelijk blustoestel zijn voorzien als gebruik wordt gemaakt van brandbare vloeistoffen en/of gassen.
Wanneer de chauffeur ingebouwd is in de wagen moet de chauffeur over een eigen blustoestel kunnen beschikken. In de nabijheid van de ingebouwde chauffeur wordt een koolstofmonoxidemelder geplaatst.
Voor de chauffeur, de eventuele bijrijder en andere personen die zich op of in de wagen bevinden moet er een vluchtweg zijn.
Het gebruik van vuur is niet toegestaan.
Als het trekkende voertuig is ingepakt, moet een goede ventilatie van uitlaatgassen zijn gewaarborgd. Uitlaatgassen moeten de wagen kunnen verlaten via een degelijke afvoer, zonder dat deelnemers en toeschouwers hier hinder van hebben.
Bij gebruik van een generator ter opwekking van elektrische energie moet deze zijn voorzien van een deugdelijke isolatiebewaking.
Er mag maximaal 10 liter brandbare vloeistof als voorraad worden meegevoerd. Deze moet opgeborgen zijn in deugdelijke, speciaal daartoe bestemde houders die zorgen dat de vloeistof stevig op de plek blijft staan.
Gasflessen en brandbare vloeistoffen (behalve die voor generatoren) zijn niet toegestaan.
Het gebruik van gemakkelijk brandbare materialen (polystereen schuim, plastic, etc.) moet tot een minimum beperkt worden en als het aanwezig is afgeschermd worden van hitte bronnen.
Tijdens de optocht mogen geen voorwerpen van de wagens vallen of worden gegooid. Het is toegestaan snoepgoed of slingers van de wagen te werpen, mits dit gericht op het publiek en van de wagen af plaatsvindt en op een zodanige wijze dat niemand er schade van ondervindt of letsel door oploopt.
Confetti of papiersnippers waarin plastic is verwerkt zijn niet toegestaan, er moet gebruik worden gemaakt van biologisch afbreekbaar materiaal. Ook overmatig gebruik van confetti of papiersnippers is verboden.
Het beschikbaar hebben en gebruik van alcoholhoudende dranken en/of drugs voor of tijdens de optocht is niet toegestaan. Onder invloed verkerende personen mogen niet deelnemen aan de optocht.
Alle deelnemers moeten zich onthouden van bedreiging, discriminatie en/of ernstige belediging en alles wat in strijd is met goede zeden.
Wagens, uitbeeldingen en trekkende voertuigen mogen niet voorzien zijn van discriminerende teksten of tekens of dit karakter hebben.
Deelname aan de optocht met dode dieren is niet toegestaan. Met levende dieren mag uitsluitend deel worden genomen als dat op een diervriendelijke manier gebeurd.
Waar mogelijk moet het gebruik van voertuigen in de optocht met dieselmotoren worden beperkt.
Tijdens de bouw van de wagens wordt vanuit gemeentewege niet gecontroleerd of aan de voorschriften wordt voldaan. Voorafgaand aan en tijdens de optocht kan steekproefsgewijs gecontroleerd worden. De organisatie van de optocht moet toezien op de naleving van de voorschriften.
5.1.3 Weersomstandigheden
De organisator van de optocht moet vanaf windkracht 5 nadrukkelijk overwegen en afwegen of ‘windgevoelige objecten’ moeten worden uitgesloten van de optocht. Dat windstoten de aangegeven windkracht te boven gaan moet daarbij in acht worden genomen. Vanaf windkracht 6 moet de organisator van de optocht ‘windgevoelige objecten’ in ieder geval uitsluiten van de optocht(en). Dit geldt ook bij lagere windsnelheden in combinatie met winstoten van 50km/u en hoger. Daarnaast moet vanaf windkracht 5 de route van de optocht gecontroleerd worden op windgevoelige objecten/ situaties. Dat kan leiden tot omleiden of inkorten van de route om deze locaties te vermijden.
Wanneer de openbare orde en veiligheid in het geding is kan de burgemeester besluiten de optocht in het geheel af te lassen.
Risico’s voor het publiek & deelnemers tijdens onstuimig weer
De volgende risico’s en gevaren zijn aannemelijk voor carnavalsoptochten tijdens onstuimig weer:
omwaaien van windgevoelige carnavalswagens;
wegwaaien van voorwerpen vanaf de carnavalswagens en/of andere windgevoelige objecten vanuit de omgeving;
paniek in de menigte.
En het daaraan verbonden risico op slachtoffers. Deze risico’s kunnen zowel voor, tijdens of na de optocht plaatvinden.
Verantwoordelijkheden
De organisator van een evenement is primair verantwoordelijk voor een veilig en ordelijk verloop van een evenement. Dus ook voor het nemen van maatregelen in geval van onstuimig weer. Dit moet door de organisatoren uitgewerkt zijn in een scenario slecht/extreem weer in het calamiteitenplan.
De gemeente (burgemeester) is het bevoegd gezag en kan de optocht afgelasten als de openbare orde en veiligheid in het geding zijn. De hulpdiensten ondersteunen en adviseren de gemeente hierin.
Onstuimig weer
Het actuele weerbeeld moet worden gemonitord voor en tijdens de optocht. Niets is veranderlijker dan het weer. Windstoten kunnen de aangegeven windkracht ver te boven gaan. De organisator is verantwoordelijk voor het monitoren van het weerbeeld en daarover afwegingen te maken.
De gemeente monitort het eigen weerbeeld. Als het nodig is treedt de gemeente (op basis van weersbericht/-voorspelling) tijdig en frequent in overleg met de organisatoren van optochten en eventuele andere ‘weer- en windgevoelige’ carnavalsevenementen. Afhankelijk van plotseling veranderende (lokale) niet te voorspellen weersomstandigheden kan dit ook pas op het laatste moment zijn. Bijvoorbeeld als de regio getroffen wordt door windhozen.
Daarnaast moet de route van de optocht door de organisator worden gecontroleerd op windgevoelige objecten/situaties. Dit om te kijken of de route moet worden omgeleid of ingekort om deze locaties te vermijden. Ook het annuleren van de hele optocht kan noodzakelijk zijn.