In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb, is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, aan het college daarvoor een vergoeding verschuldigd.
In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid onder c, d en e bepaalt het college de vergoeding naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de vermogensvorming heeft bijgedragen.
Het college kan op verzoek van de subsidieontvanger beslissen dat deze geen vergoeding verschuldigd is indien:
de activiteiten worden overgenomen en voortgezet door een rechtspersoon met gelijke of nagenoeg gelijke doelstellingen als de subsidieontvanger, en
de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt, en
de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtspersoon die de activiteiten overneemt en voortzet.
Hoofdstuk 3
Artikel 17
Restitutie vermogensvorming
Onderdeel van Algemene Subsidieverordening gemeente Bunnik