Artikel 2.3.8 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt dat een cliënt medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015. Zorgvuldig onderzoek is vaak nodig om het recht op een Wmo-voorziening vast te stellen en in bepaalde gevallen kan zonder advies geen zorgvuldige besluitvorming plaatsvinden.
Uit de jurisprudentie blijkt dat, als een cliënt geen medewerking verleent, het college kan weigeren een voorziening toe te kennen, omdat het recht op de voorziening niet is vast te stellen. In die situatie zal de Wmo consulent in het verslag opnemen dat cliënt geen medewerking verleent en daarom geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. Als cliënt niettemin een aanvraag indient, wordt de aanvraag op die grond afgewezen.
De medewerking mag ook van de huisgenoten worden verwacht, voor zover het gaat om het bepalen van de noodzaak en omvang van de maatschappelijke ondersteuning (zie o.a CRvB 25-07-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090). De huisgenoten moeten daarom meewerken aan een onderzoek dat het college noodzakelijk vindt om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het vaststellen van het recht van de cliënt. Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat het college de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen en er daarom geen of minder ondersteuning wordt toegekend.
HOOFDSTUK 2.
Artikel 2.4