De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van maatwerkvoorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Het begrip eigen kracht is in de Wmo 2015 niet gedefinieerd. Wel is helder dat onder eigen kracht niet wordt verstaan dat het inkomen of vermogen van een cliënt toereikend is om een voorziening zelf aan te schaffen. Uiteraard mag een financieel daadkrachtige cliënt wel gewezen worden op de mogelijkheid om voorzieningen op eigen kosten te realiseren.
Voorbeelden van situaties in de jurisprudentie waarin eigen kracht wel een rol speelde:
Opsparen van zware boodschappen
Herinrichting van de woning en verplaatsing van voorwerpen
Het ophangen van een douchegordijn
Het gebruik van adequate apparatuur en deze strategisch plaatsen
Behandeling ondergaan en hieraan meewerken naar vermogen (al wordt dit ook in de jurisprudentie ook gezien als een beroep op de Zorgverzekeringswet)
Overlast melden bij de politie
Het gebruik van een badplank uitproberen als alternatief voor een woningaanpassing
Gebruik maken van hulp van vrijwilligers of een sportinstructeur, als alternatief voor begeleiding
Strijkvrije kleding en gebruik apparatuur
Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid betekent bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op ondersteuning te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden, zoals aanschaf van huishoudelijke apparatuur, kunnen bekeken worden. Mogelijk is er een hulpmiddel waardoor een cliënt een taak weer zelf kan verrichten.
Gebruik eigen auto
Heel veel mensen zijn op dit moment gewend al bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn:
als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken op de korte afstanden, of
als de auto voor hun beperking aangepast zou moeten worden.
In het eerste geval kan onderzoek verricht worden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon en zou een maatwerkvoorziening mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van extra kosten. In dat geval worden alleen de extra kilometers, die bovengebruikelijk zijn, vergoed. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, is er sprake van extra kosten: zonder beperking waren de autoaanpassingen niet nodig geweest. Maar in beide gevallen geldt dat in eerste instantie wordt gekeken naar de regiotaxi als mogelijke oplossing. De Verordening regelt immers dat als er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, de goedkoopst-passende voorziening wordt verstrekt.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.1