Bij elke vraag naar ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid of participatie treedt de gemeente in gesprek met de inwoner en onderzoekt het college met behulp van een algemeen afwegingskader welke oplossing het meest adequaat is. Hierbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de persoon van belang. Tijdens het gesprek kan het wenselijk zijn dat een mantelzorger of een cliëntondersteuner (zie paragraaf 1.6 en 1.7) aanwezig is.
Een belangrijke waarborg in de Wmo 2015 is de resultaatverplichting, hetgeen inhoudt dat de gemeente zorgdraagt voor het resultaat en niet gehouden is aan de wijze waarop het resultaat bereikt wordt. Dat betekent bijvoorbeeld dat niet automatisch een maaltijdservice wordt geadviseerd als het gewenste resultaat is dat iemand dagelijks een warme maaltijd eet. Er is ruimte voor andere, mogelijk beter passende oplossingen. Zo kan een cliënt het prettig vinden om vaker te eten bij familie, om wekelijks aan te schuiven bij een maaltijdgroep en om vrijwillige hulp te krijgen bij het koken thuis. Uitgangspunt is dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid van mensen zelf is. De gemeente biedt ondersteuning als een inwoner zelf niet volledig kan voorzien in zelfredzaamheid en participatie of behoefte heeft aan beschermd wonen of opvang. Hierbij wordt gekeken wat een inwoner zelf kan oplossen, welke algemene voorziening bruikbaar is en met welke oplossing een inwoner geholpen is om het resultaat te behalen. Alle punten uit het afwegingskader dienen afgewogen te worden volgens onderstaand (trechter) model. Waarbij punt 1.8.1 t/m 1.8.2 voorgaan op de inzet van 1.8.3 en 1.8.4, maar de inzet van de laatste 2 gelijktijdig afgewogen worden.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.8
Afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2021