In de verordening is opgenomen dat er recht bestaat op aangepast vervoer indien er sprake is van een ernstige benadeling van het gezin waardoor begeleiding van de leerling niet meer van ouders kan worden gevergd. Er is sprake van een ernstige benadeling van het gezin, als één van de volgende situaties aanwezig is:
Er is sprake van een eenouder of co-ouderschap gezin en andere kinderen van onder de tien jaar zijn thuis. Deze kinderen hebben aantoonbaar begeleiding nodig naar school, wat aantoonbaar niet verenigbaar is met de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen van de leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;
de ouder heeft een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap waardoor begeleiding tijdens het vervoersmoment onmogelijk is;
de ouder kan aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen vormgeven gedurende het vervoersmoment vanwege een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet.
Er is sprake van een gezamenlijke huishouding en beide ouders kunnen aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen vormgeven gedurende het vervoersmoment omdat bij hen beiden sprake is van:
een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap; of
een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet.
Het reizen per openbaar vervoer kost de begeleider meer dan de acceptabel te achten begeleidingstijd, te weten:
méér dan vier uur reistijd per dag voor leerlingen van regulier basisonderwijs;
méér dan vier uur reistijd per dag voor leerlingen van het speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.
Hoofdstuk 2.
Artikel 7.