In deze beleidsregel wordt verstaan onder:. a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan het college van Gedeputeerde Staten de grenzen heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de Wegenwet;
b. breedte: de effectieve breedte van een uitweg waar deze uitmondt op de rijbaan. De ruimte benodigd voor boogstralen maakt onderdeel uit van de breedte van de uitweg;
Rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden, de fiets/bromfietspaden (conform RVV 1990 art. 1 lid ad.);
d. uitweg: de uitweg is de ruimte (uitgedrukt in lengte en breedte) die dienst doet als in- en uitgang voor voertuigen ter ontsluiting van gebouwen, bouwwerken niet zijnde gebouwen (bijv. telecommunicatiemasten) of percelen uitkomend op de rijbaan van de openbare weg. Met uitwegen worden ook de in het spraakgebruik voorkomende termijn “in- en uitritten” en “opritten” bedoeld. Ook de verbreding van “uitwegen”, ”in- en uitritten” en “opritten” valt onder het begrip uitweg;
e. weg: weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, o onder b van de Wegenverkeerswet;