Het college verbiedt een nieuwe uitweg en de verandering van een bestaande uitweg indien:
1. Door de uitweg het veilig en doelmatig gebruik van de weg in het geding is:
a. ter ontsluiting van woningen de uitweg breder is dan 4,0 meter, tenzij de breedte van de weg en/of verkeerssituatie er aanleiding toe geeft om een grotere breedte te hanteren;
b. bij een dubbele uitweg ten behoeve van twee woningen de maximale breedte meer dan 8,00 meter bedraagt;
c. ten behoeve van een bedrijf gevestigd op een perceel dat is bestemd tot (agrarische) bedrijfsdoeleinden, de uitweg breder is dan 8,00 meter;
d. ten behoeve van een bedrijf gevestigd op een perceel dat is bestemd tot wonen, de uitweg breder is dan 4,00 meter;
e. binnen de bebouwde kom een bedrijfsterrein niet groot genoeg is om voertuigen op eigen terrein te kunnen parkeren en/of laden en/of lossen op eigen terrein niet mogelijk is, tenzij geparkeerd of geladen en/of geladen en gelost wordt op een wijze waarbij de vrachtwagen zich in de lengterichting van de weg bevindt en dit niet voor een verkeersonveilige situatie zorgt;
f. de uitweg komt te liggen op of nabij een rotonde, kruising, splitsing van wegen , opstelstroken dan wel voorsorteervakken;
g. de uitweg komt te liggen op een plaats waar door de uitweg onoverzichtelijke en/of onveilige situaties kunnen ontstaan;
h. als vanaf de uitweg eerst een fietspad overgestoken moet worden en er vanaf de uitweg onvoldoende zicht is op de openbare weg;
i. de uitweg komt te liggen op een plaats waar verlichting, bebording of ander straatmeubilair is aangebracht en deze uit het oogpunt van een sociaal- of verkeersveilig gebruik van de weg niet verplaatst kan/kunnen worden;
j. de uitweg een belemmering vormt voor aanwezige bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen;
k. de aanleg van de uitweg de verkeersdoorstroming in belangrijke mate zal kunnen belemmeren;
l. de uitweg komt te liggen op een plaats op het perceel van de melder waar ruimte voor het plaatsen van een personenauto in de lengterichting en daarmee haaks op de weg minder dan 6 meter zou bedragen;
m. op gemeentegrond een gesloten verharding (asfalt, beton, bedrijfsvloerplaten e.d.) wordt toegepast;
n. de rijbaanbreedte niet toereikend is voor een veilige verkeersafwikkeling.
2. de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van de openbare parkeercapaciteit
o. de aanleg van de uitweg gaat ten koste van de openbare parkeercapaciteit:
Het inrichten van de tuin als parkeerplaats is een mogelijkheid om altijd te beschikken over een parkeerplaats. Voor het gebruik van deze parkeerplaats is een uitweg/inrit nodig. De aanleg van een uitweg/inrit tot de tuin gaat meestal ten koste van het parkeren op straat. De gemeente
toetst daarom ondermeer op de gevolgen voor het parkeren. De aanleg van de uitweg/inrit mag niet ten koste gaan van de openbare parkeercapaciteit. Een openbare parkeerplaats is voor een ieder toegankelijk. Dit in tegenstelling tot een parkeerplaats op eigen terrein.
3. Het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast
p. Er sprake is van te kappen omgevingsvergunningplichtige houtopstanden en bomen als gevolg van het realiseren of veranderen van een uitweg, tenzij de hiervoor vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit kappen is verleend voordat de uitwegmelding is ingediend;
q. verhardingsmateriaal waarmee de uitweg wordt gerealiseerd, op een afstand van minder dan 2,5 meter van de stam van een op de Bomenlijst als aangewezen boom wordt aangebracht.
r. Mogelijke alternatieven om groen te sparen zijn een andere locatie van de uitweg of een gecombineerde uitweg met een ander perceel. Is er geen alternatief beschikbaar dan moet worden nagegaan of er maatregelen haalbaar zijn om de gevolgen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Maatregelen die getroffen kunnen worden, zijn:
een smallere breedte van de uitweg; en/of
eisen aan het materiaal van de uitweg (bijvoorbeeld grasbetontegels)
water doorlatend materiaal, etc.
4. het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt aangetast;
s. Er sprake is van parkeren in de voortuin bij rijtjeswoningen, omdat hiermee het ruimtelijk aanzien wordt aangetast. Bij de woningen aan het einde van een rijtje ('hoekwoningen') kan er afhankelijk van de specifieke situatie ruimte naast de woning op het perceel zijn, waardoor het denkbaar is dat daar wel een parkeerplaats en een uitweg is te realiseren. Dit dient per situatie te worden beoordeeld.
5. Waterhuishouding
t. als door de uitweg de waterbergende en watervoerende capaciteit van een te overbruggen watergang of sloot te veel wordt beperkt.
Veel percelen – vooral buiten de bebouwde kom – worden van de weg gescheiden door een watergang (sloot). Om een uitweg aan te brengen moet de sloot overkluisd worden. Voor een verantwoorde waterhuishouding moet onder de uitweg een duiker worden aangebracht. Anders wordt de waterbergende en waterafvoerende capaciteit te veel beperkt. De duiker wordt aangebracht door en op kosten van de melder. De duiker moet voldoen aan de specificaties van de gemeente. In de meeste gevallen moet bij het Waterschap Veluwe een ontheffing worden aangevraagd.
Artikel 3
Uitwegen binnen en buiten de bebouwde kom
Onderdeel van Beleidsregel uitwegen gemeente Epe