Naar hoofdinhoud
1.. De raadsvoorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde stukken. 2.. In spoedeisende gevallen kan de raadsvoorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zesendertig uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden. 3.. Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 29, tweede lid, van toepassing. 4.. Er is voor burgers c.q. organisaties e.d. geen mogelijkheid om tijdens de raadsvergadering in te spreken. 5.. De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. 6.. In de agenda wordt onderscheid gemaakt tussen stemstukken met stemverklaring, stemstukken zonder stemverklaring, bespreekstukken en overige onderwerpen. 7.. De bespreekstukken worden na de stemstukken geagendeerd. 8.. Een lid van de raad kan bij de vaststelling van de agenda kenbaar maken, dat hij een stemstuk zonder stemverklaring alsnog als stemstuk met stemverklaring wil behandelen. De raad beslist over dit verzoek bij de vaststelling van de agenda. 9.. Een lid van de raad kan bij de vaststelling van de agenda kenbaar maken, dat hij een stemstuk (met of zonder stemverklaring) alsnog als een bespreekstuk wil behandelen mits een amendement en/of motie wordt aangekondigd. De raad beslist over dit verzoek bij de vaststelling van de agenda.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel