Visie op amateurverenigingen
Amateurverenigingen, met alle daarbij betrokken vrijwilligers, vormen de basis voor het culturele klimaat. Verschillende onderzoeken naar cultuurbeoefening laten in de laatste jaren een stabiel beeld zien. Volgens de Monitor Amateurkunst van het LKCA is sinds 2013 zo’n 40 procent van de Nederlandse bevolking van zes jaar en ouder kunstzinnig en creatief actief in de vrije tijd. Dan gaat het om zo’n 6,4 miljoen Nederlanders. Dit betekent dat in de Hoeksche Waard circa 35.000 inwoners zich bezighouden met een of andere vorm van kunstbeoefening.
Uitdagingen voor de amateurkunst
Voor de amateurkunst ligt een aantal belangrijke uitdagingen:
De subsidiëring van amateurverenigingen is gebaseerd op de regelingen uit de voormalige dorpen. Er zijn grote verschillen; harmonisatie is nodig.
Amateurverenigingen willen graag meer activiteiten ontplooien op de scholen, maar vinden daar moeilijk aansluiting. Dit vraagt nauwere betrokkenheid bij de uitvoering van Cultuureducatie met kwaliteit (verder: het CmK) op de scholen.
Verenigingen zijn niet voldoende op de hoogte van elkaars activiteiten. Ze willen graag meer samenwerken, maar daarvoor ontbreken onder andere inzicht, budget en tijd.
Er is een groot verschil in huisvestingsmogelijkheden en de daarbij horende kosten voor verenigingen: de ene vereniging heeft een eigen gebouw, de andere repeteert in een onverwarmde kerk. Ook hebben vrijwel alle verenigingen, behoefte aan een voorziening voor de optredens, uitvoeringen. Dit vraagt om verder onderzoek, doordenking en maatregelen in het kader van het gemeentelijk accommodatiebeleid.
Door stijgende kosten en dalende inkomsten (onder andere veroorzaakt door een teruglopend ledental) staan veel verenigingen in de overlevingsstand. Hierdoor besteden de verenigingen relatief veel inzet op de instandhouding.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.6