Het wettelijk kader voor het onderhouden van civiele kunstwerken is vastgelegd in de Wegenwet (artikel 15), het Bouwbesluit/Woningwet en het Burgerlijk Wetboek (artikelen 6:174 en 6:162). De Wegenwet geldt niet alleen voor (vaar)wegen, maar ook voor bruggen. We zijn verplicht om de binnen onze grenzen vallende openbare wegen in een goede staat te onderhouden. Hierbij wordt niet duidelijk gemaakt wat onder de term “in een goede staat” verstaan wordt. Het moet echter minimaal geschikt zijn voor het gestelde doel. Er is dus duidelijk sprake van een zorgplicht zónder een vastgelegd kwaliteitsniveau. De gemeente heeft dus enige vorm van vrijheid voor invulling van het kwaliteitsniveau waarop wordt onderhouden.
Het Bouwbesluit geldt ook voor civiele kunstwerken als bouwwerk, geen gebouw zijnde.
De kunstwerken moeten zodanig worden gebouwd dat er geen gevaar voor gezondheid en veiligheid ontstaat. Voor de beoordeling van bestaande constructies geldt dat deze gedurende de restlevensduur veilig en bruikbaar moeten zijn.
En op grond van het Burgerlijk Wetboek moet een kunstwerk voor de gebruikers veilig zijn. Als dit niet het geval is, kunnen we aansprakelijk worden gesteld voor gebreken aan het kunstwerk.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.1