Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3.1

Bestuurlijke handhaving

Onderdeel van Beleidsnota artikel 13b Opiumwet

Indien sprake is van een overtreding van de AHOJGI-criteria heeft de burgemeester informatie nodig van politie en Openbaar Ministerie. Op basis van deze informatie worden alle in het geding zijnde belangen tegen elkaar afgewogen en eventuele besluiten tot toepassing van bestuursdwang onderbouwd. Bij recidive is paragraaf 3.3 van overeenkomstige toepassing, overtredingen worden vijf jaar lang ‘meegenomen’. Bij herhaling is in eerste instantie bedoeld herhaling van eenzelfde overtreding in dezelfde inrichting. Een cumulatie van overtredingen kan leiden tot het overslaan van een "stap" in onderstaande gedragslijn en het meteen overgaan tot een sluiting zonder de stap waarschuwing of tot het sluiten van de inrichting gedurende een langere periode. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de gedoogcriteria ligt uitdrukkelijk bij de exploitant. Deze is degene die op de naleving moet toezien. Volgens vaste jurisprudentie speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de vraag of er zich een situatie voordoet die tot sluiting van inrichting noopt. De exploitant is verantwoordelijk voor de gang van zaken in de door hem geëxploiteerde inrichting. Bij overtredingen zal overgegaan worden tot een waarschuwing of sluiting of intrekking van de gedoogverklaring. Indien er aanleiding bestaat kan een BIBOB onderzoek worden ingesteld en wordt de gedoogverklaring zo nodig ingetrokken. Ook een strafrechtelijke veroordeling kan een reden zijn om de gedoogverklaring in te trekken. Exploitant en beheerders mogen niet van slecht levensgedrag zijn. Hierbij raakt men al snel de zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’. Ten aanzien van zedelijkheidseisen wordt er rekening gehouden met de omstandigheid dat er criminele antecedenten kunnen bestaan welke verband houden met overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Omdat men de kans loopt om een proces-verbaal te krijgen wegens een overtreding en daarbij dus ook een redelijke kans heeft op een veroordeling, worden die strafbare feiten, die rechtstreeks verband houden met het exploiteren van de coffeeshop binnen de gedoogvoorwaarden, in beginsel niet meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag. Voorbeelden van betrokkenheid bij handelingen welke geen verband houden met de gedoogde verkoop van softdrugs en welke wel worden aangerekend zijn: hoeveelheden softdrugs welke niet in verhouding staan tot het aantal bezoekers en de bijbehorende omzet van de coffeeshop, de exploitant moet aantonen dat de aangetroffen hoeveelheid past binnen de gedoogde verkoop; drugs met een andere bestemming dan de coffeeshop (bijvoorbeeld niet-gedoogde verkoop of export); teelt van softdrugs; harddrugs; witwassen / aanwezigheid van grote hoeveelheden geld waarvan de herkomst niet aanwijsbaar is. Ongeacht het bovenstaande blijft de exploitant vanzelfsprekend wel strafrechtelijk verantwoordelijk voor zijn daden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel