Vanuit het oogpunt van de openbare orde en veiligheid, het beschermen van het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid, treedt de burgemeester streng op tegen illegale handel in drugs, zowel hard- als softdrugs. Het voorkomen en bestrijden van de ondermijnende en ontwrichtende effecten van drugshandel blijft ook de komende jaren van zeer groot belang. Panden kunnen door de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet worden gesloten als er drugs zijn aangetroffen.
Op 1 januari 2019 is artikel 13b Opiumwet verruimd. Het handhavingsinstrumentarium geldt ook voor het voorhanden hebben van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 11a Opiumwet. Panden waarin geen handelshoeveelheid drugs worden aangetroffen, maar waarvan het aannemelijk is dat deze gebruikt worden voor de productie van en/of handel in drugs, kunnen eveneens worden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet.
Bij de uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet beschikt de burgemeester over beleidsvrijheid. De burgemeester kan beleid vaststellen waarin wordt aangegeven op welke manier invulling wordt gegeven aan deze bevoegdheid. In deze beleidslijn is uitgewerkt in welke situatie op welke wijze artikel 13b Opiumwet wordt toegepast.
Jurisprudentie kan de beleidsvrijheid beperken. Daarnaast heeft de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak, in augustus 2019 een overzichtsuitspraak gedaan over het sluiten van woningen door de burgemeester na de vondst van drugs. Daarmee is meer duidelijkheid gegeven over de manier waarop deze besluiten worden getoetst. In de uitspraak wordt benadrukt dat er, naast de noodzaak tot het sluiten van het pand, ook aandacht moet zijn voor de vraag of sluiting evenredig is. Daarmee bevestigt de hoogste bestuursrechter de tendens dat zij steeds nadrukkelijker aan het evenredigheidsbeginsel toetst en afstand neemt van het begrip ‘marginale toetsing’.