In artikel 4 staan de algemene - binnen de jurisprudentie geformuleerde - uitzonderingen op de in artikel 2 genoemde hoofdregel beschreven.
Het gaat meer specifiek om:
a) De zes-maanden jurisprudentie
De zes-maanden jurisprudentie komt er kortheidshalve op neer dat de gemeente binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over dient te gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie over de uitkeringsgerechtigde waaruit het college dusdanig concreet kan afleiden dat sprake is van een fout, dat het college op grond daarvan actie had moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan dient het college van terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt. De zes-maandenjurisprudentie is niet van toepassing bij schending van de inlichtingenplicht.
b) Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd
De situatie kan bestaan dat betrokkene over een vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Het college is dan in wezen gerechtigd om de bijstand over de gehele periode van de overschrijding in te trekken, rekening houdend met de zes-maanden-jurisprudentie. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie het bedrag van de terugvordering dient te worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien de gevolgen van de beperkte overschrijding van de vermogensgrens tijdig zouden zijn verwerkt. Dit komt neer op het bedrag waarmee de vermogensgrens overschreden is.
Hoofstuk 2
In hoofdstuk 2 wordt nader uitgewerkt onder welke omstandigheden het college geheel of gedeeltelijk afziet van invordering.
Artikel 5.
Als de terug te vorderen uitkering (hoofdsom) niet boven € 150,- uitkomt, ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit. Dit is in het belang van de cliënt, voorkomt verdere schulden. Daarnaast is dit gebaseerd op een kosten/baten-afweging.
Dezelfde kosten/baten-afweging geldt voor de invordering indien een (restant-)schuld overblijft van maximaal € 150,-.
Artikel 6.
In artikel 6 staan de bepalingen over kwijtschelding als gedurende een bepaalde periode is voldaan aan een opgelegde betalingsverplichting.
Met de onder d genoemde mogelijkheid tot afkoop van 50% van de rest-som tegen finale kwijting van het restant wordt zeer terughoudend omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het restant kan worden geïncasseerd.
Artikel 7.
Op de hoofdregels in artikel 6 zijn uitzonderingen geformuleerd in artikel 6.
Een eerder op basis van artikel 6 verleende kwijtschelding kan worden ingetrokken indien later blijkt dat deze kwijtschelding is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van belanghebbende.
Artikel 8.
In dit artikel geeft het college aan onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend aan een eventuele schuldregeling. In afwijking van het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, verleent het college tevens medewerking aan een schuldregeling bij fraude-vorderingen waarbij enkel sprake is van een schending inlichtingenplicht op basis van een verminderde verwijtbaarheid en een normale verwijtbaarheid.
Het college verleent medewerking aan een schuldregeling indien:
de vaststelling dat op gronden van redelijkheid en billijkheid van de schuldenaar niet langer gevergd kan worden dat hij de schuld (volledig) voldoet; dan wel
de vaststelling dat wanneer het college bij de aanwezigheid van meerdere schuldeisers vasthoudt aan zijn eigen vordering c.q. vorderingen, een schuldregeling niet tot stand komt; en
de bijkomende voorwaarde dat de vordering van het college wel naar evenredigheid zal worden
voldaan.
Verder benoemt het college gronden op basis waarvan hij zijn medewerking aan een schuldregeling intrekt. Zoals het niet voldoen aan de verplichtingen in het kader van de schuldregeling of dat de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar.
Hoofdstuk 3
In hoofdstuk 3 wordt een uitwerking gegeven van de wijze waarop de vordering wordt ingevorderd.
Met betrekking tot de invordering van fraudevorderingen, alsmede de daarmee samenhangende boete, is enkel bepaald dat verrekening verplicht is voor zover dit mogelijk is omdat aan betrokkene een Participatiewet, IOAW, IOAZ dan wel Bbz-uitkering wordt verstrekt (artikel 60 lid 4).
Op andere vlakken heeft het college beleidsvrijheid.
De gemeente houdt in haar incassobeleid rekening met de volgende uitgangspunten:
de terug- en invordering wordt in begrijpelijke taal gecommuniceerd, schriftelijk en mondeling. De debiteuren moet weten waarom dit gebeurt en wat van hem verwacht wordt. Dat vraagt om actief contact zoeken én uitnodigen tot contact.
we zoeken samen, waar dat kan of moet persoonlijk, met de debiteur naar een realistische en duurzame betalingsregeling. De aflossing moet passen bij de financiële positie van de debiteur.
we kijken zoveel mogelijk naar een integrale oplossing voor de debiteur waar het zijn inkomsten en schulden betreft. Het gaat uiteindelijk om duurzame economische zelfredzaamheid voor de debiteur, maar ook voor de maatschappij. We verwijzen actief door naar andere instellingen of instanties die in positieve zin kunnen bijdragen aan deze integrale oplossing.
we trekken zoveel mogelijk samen op met de debiteur, maar als de debiteur geen of onvoldoende medewerking verleent, of we komen niet tot overeenstemming, gaan we over tot verdere incassomaatregelen, uiteindelijk tot (loon)beslag, met inachtneming van de regels omtrent de beslagvrije voet.
Artikel 9.
In dit artikel staan de hoofdregels over het gebruik van de bevoegdheid van het college tot invordering volgens de wet en deze beleidsregels.
Artikel 10.
Voor zover betrokkene na afgifte van het terugvorderingsbesluit een uitkering ontvangt in het kader van de Participatiewet, IOAW of IOAZ is het college bevoegd om tot verrekening van de vordering over te gaan. Het college gaat direct tot verrekening over.
Zoals al eerder aangegeven geldt voor fraudevorderingen ontstaan na 1 januari 2013 en de daarmee samenhangende boete een verrekening plicht. Dit artikel gaat daarom niet over deze vorderingen.
Artikel 11.
In artikel 11 wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing bepaald. Indien belanghebbende een uitkering ontvangt wordt er uitgegaan van een bedrag dat niet met schulden wordt verrekend ter hoogte van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. Door de vaststelling als percentage wijzigt het aflossingsbedrag automatisch als de norm wijzigt. De wettelijke uitzondering op de beslagvrije voet van 95% voor personen verblijvend in een inrichting blijft van kracht.
Er wordt nooit meer verrekend dan het bedrag dat ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is inmiddels in werking getreden en hiermee gaat het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ook in beginsel uit van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.
In artikel 11 is uitdrukkelijk de mogelijkheid opgenomen om bij bijzondere omstandigheden ten gunste van de schuldenaar af te wijken van het percentage van 95. Zodra een beslaglegger beslag legt op de resterende beslagruimte, verhoogt het college de verrekening naar de volledige wettelijke beslagruimte om haar debiteurenpositie veilig te stellen.
Artikel 12.
In artikel 12 wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing bepaald op basis van draagkracht en inkomsten. Het aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of invorderingsbesluit geldt als aflossingsverplichting.
Het college kan gemotiveerd afwijken van de aangegeven berekening als de omstandigheden van de debiteur daar aanleiding voor geven.
Artikel 15.
In beginsel rust op betrokkene de verplichting om de gehele vordering binnen de geboden betalingstermijn te voldoen. Het college is echter bevoegd om betrokkene uitstel van betaling te verlenen en daaraan voorwaarden te verbinden. In artikel 15 staan deze bepalingen vermeld.
Artikel 16.
Wanneer een schuldenaar zijn betalingsverplichting niet nakomt of de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend schendt en de oorspronkelijke betalingstermijn is verstreken, is betrokkene in verzuim als bedoeld in artikel 4:97 Awb.
Artikel 4:112 e.v. van de Awb bepaalt dan de verdere invorderingsprocedure, te weten de invordering door middel van aanmaning en dwangbevel. Ook executoriaal beslag door een deurwaarder op basis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is mogelijk.
Artikel 17.
Dit is een bevoegdheid van het college.
Gelet op de ontbrekende geautomatiseerde ondersteuning bij deze taak wegen de baten van de mogelijke (en vaak geringe) opbrengsten van rente en/of kosten vaak niet op tegen de kosten van berekening en invordering. Aflossing van de hoofdsom staat in beginsel voorop.
Daar staat tegenover dat het redelijk is om rente en/of kosten in rekening te brengen als deze kosten ook daadwerkelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld door een deurwaarder die de incasso verzorgt.
De rente kan zowel de wettelijke als de overeengekomen rente zijn. De overeengekomen rente zal altijd in rekening worden gebracht. De wettelijke rente zal altijd in rekening worden gebracht waar dit verplicht is.
Hoofdstuk 4
Bij de verstrekking van bedrijfskapitaal kent het Bbz 2004 specifieke bepalingen.
Terug- en invordering van bedrijfskapitaal verloopt dan ook op een andere wijze, veelal dwingend voorgeschreven in het Bbz zelf.
Terug- en invordering van her berekende uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening zien we als terug- en invordering van bijstand. Deze beleidsregels zijn van toepassing, tenzij het Bbz zelf anders bepaalt.
Artikel 21.
De hardheidsclausule staat in artikel 4: 84 Awb: Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 Awb).
De hardheidsclausule is een bredere bepaling dan de bepalingen omtrent dringende redenen.
Dringende redenen zien op bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Er moet met belanghebbende zelf iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn.
De hardheidsclausule is breder dan enkel dringende redenen, betreft onbillijke gevolgen voor belanghebbende óf gemeente. Ook de gemeente is immers een belanghebbende in de zin van de Awb.
Onbillijke gevolgen zijn naar algemeen taalgebruik niet rechtvaardige of niet redelijke gevolgen.
Onbillijkheden geeft de mogelijkheid om een eigen gemeentelijke bedrijfseconomische kosten/baten-afweging te maken. Dat is redelijk en rechtvaardig in het kader van debiteurenbeleid.
Hoofdstuk
Artikel 4.
Artikel 4.
Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 - 2021